Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENDE BOEK.

I.

:g uit dezen nevel!

Deze roep klonk in de volgende dagen aldoor in miin ziel.

Licnamelijk voelde ik me nog altoos ziek, een week lang moest ik het bed houden. In deze week werkte, woelde, worstelde het in mij; niet helder bewust aanvankelijk, maar met de kracht van een instinctmatig doen, tenslotte onder tamelijk helder bewustwordender oorzaken: ik moest iets doen, iets ondernemen om de laatste, vreeselijke indrukken te overwinnen. Wilde ik mijn nieuw standpunt niet geheel verliezen, dan moest ik mij bevrijden van een gevoelselement, dat niet meer van me week op de plek van deze hevige slagen.

Reeds den eersten ochtend na de begrafenis had ik me een heel arsenaal van boeken boven bij mijn bed laten brengen — ik wilde me volijverig op den arbeid storten om daar vergetelheid in te vinden. Ik was zóó heesch, dat ik geen woord kon spreken, de natte, koude avond had de verkoudheid, die ik reeds onder de leden had, ten zeerste verergerd. De dokter had me rust voorgeschreven, onthouding van allen omgang voor een paar dagen en zoo zat ik dan voor 't eerst na langen tijd weer veel uren aaneen, eenzaam boven bij mijn boeken.

Maar de troost bleef uit.

Sedert ik in dat pijnlijke oogenblik de rand van de »Sphinx» met vraagteekens bedekt had, was het of er op eens een twijfelzucht in mij ontwaakt was tegenover alles wat gedrukt was. Ik peinsde, hoe dat komen kon. Zeker, mijn stemming droeg er veel toe bij. Ik wist dat een nieuwe séance met Lilly mij wel weer geheel terug ver-

Sluiten