Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kontrasten ophouden — wanneer, wanneer? Moest ik dan werkelijk reeds weer van hier, weer in een nieuwe wereld' Dat vragen, dat eeuwige vragen. Waarom kon men niet leven alleen, waarom altijd dat vragen?... De boot stootte zacht ergens tegen, hij schommelde... een hindernis hield haar vast. Ik herkende de plaats. O, hier, hier hadden wij niet gevraagd — neen, hier niet — hier hadden wij alleen geleefd ik voelde weer den druk der warme menschenborst, hoorde hoe het fluisteren overging in stamelen, in diep hijgend ademhalen... niets, niets in de wereld dan onze liefde slechts de groote stilte der zomernacht... een wolk van bloemengeur...

Ik preste hoofd en armen in 't warme hooi, alsof 't nog dezelfde groene muur was, die toen ons bruidsbed van de wereld had afgesloten.

Een lange tijd zat ik daar, droomend. Neen, ik wilde ik kon zóó niet weg uit het Spreewoud, zonder Lilly nog eens gezien, gekust, omvangen te hebben, als toen in den nacht. — Morgen ging ik immers toch weg, maar vannacht was ik nog éénmaal bij haar. Ik wist plotseling, dat ik hare bede niet af zou slaan, 't Was voor ons beide het laatst het inoest zoo zijn. Gelukkig, dat ik haar nog niet geantwoord had. Mijn leven — goed, dat zou behooren aan het vragen maar nog éénmaal zou een uur zonder vragen zijn zonder vragen en zonder antwoord, gansch gansch leven, te leven in liefdesgeluk.

Sluiten