Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reisschoenen, klonk van de zoldering een driemaal herhaald zacht kloppen, 't Was geen geestenteeken, 't was de verhouding tusschen twee minnenden. Lilly klopte op den vloer harer kamer, om mij te manen. Ik blies het licht uit, en opende de deur zoo geruischloos mogelijk. In 't slot was alles stil. En ten slotte, al zag mij iemand, wat gaf het dan nog: Dat Lilly mijne liefste was wist men toch. Nu ging boven een deur open. Neen 't was toch te pijnlijk iemand van het dienstpersoneel tegen te komen. Ik ging nogmaals in mijn salon terug, de deur naar de slaapkamer stond open. Op dit oogenblik werd er boven nog harder geklopt. Goed, ik was er immers gauw genoeg. Ik kreeg een gekke inval, ging in de slaapkamer, en trok de lakens uit het bed. Als mij nu iemand op de trap tegen kwam, zou hij gelooven, een geest te zien. 't Ging vluchtig door mij heen, toen ik met het laken over de schouders de trap opsteeg, hoe ongepast juist deze maskerade voor een van ons was; zoo ontstonden de valsche geestgeschiedenissen, 't Was reeds een half bedrog. Maar de stemming van de < laatste maal ' was sterker. Vandaag kon ik nog een zwak mensch zijn — nog ééns, maar morgen was het uit, slechts deze nacht nog vrij.

Lilly had mijn stap gehoord, en hield de deur reeds open, toen ik kwam. In haar kamer brandde geen licht — slechts maneschijn. Zij droeg de soepele morgenjapon, waarin ik haar toen gezien had. 't Haar hing los; ik kuste hartstochtelijk de krulletjes op haar voorhoofd, nog eer de deur was gesloten. Ze liet het zich welgevallen, maar scheen heel kalm, en lachte om mijn maskerade. Toen ik daarop zeer zorgvuldig den grendel voorgeschoven had, keek ik, bij 't magische halfdonker in 't kleine kamertje rond. De bedgordijnen waren dichtgetrokken. Voor het venster de groote muur van kastanjeboomen. Een sterk resedaparfum vulde het heele vertrek. Langzamerhand werd ik aan 't wonderlijke licht gewoon, en zag op den achtergrond, door een smalle zilverstreep aangeduid, een hooge schrijftafel met veel schuifladen. Voor de schrijftafel welfde zich op den grond een vormlooze zwarte massa, 't scheen een mand te zijn. Ondanks mijne vertrouwelijkheid met Lilly, maakte de onbekendheid der plaats mij toch ietwat verlegen, ik wachtte tot zij het eerste wat zeggen zou. Zij sprak echter geen woord, maar kwam geruischloos op mij toe, legde de hand op mijn arm en trok mij naar het donkere ding voor de schrijftafel, 't Was een groote reismand.

Sluiten