is toegevoegd aan uw favorieten.

De godin van het licht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Zie je, ik ben nog niet heelemaal klaar, zeide zij zacht — je bent toch wel wat galant voor Lilly, en helpt haar? Ik bedoel. . . dat ik nog niet reisvaardig ben. . .

Ik zag nu rondom allerlei voorwerpen opduiken, die voor 't verpakken klaar schenen te liggen.

— Pak je? vroeg ik. Waarvoor is dat? —

— Slimme Wilhelm. Waarvoor zal Lilly pakken? Toch omdat zij op reis gaat met jou, morgen héél vroeg, dan is 't toch hoog tijd dat men pakt, nietwaar?

Ik begreep 't niet. — Neen — hoe — maar jij? Nu sloeg zij opeens wild de armen om mijn lijf, haar mond preste zich heet op den mijnen. Daarop zeide zij zacht, haast onhoorbaar, het hoofd vast tegen mijn schouder, zonder mij aan te kijken: — Je gaat, Wilhelm, maar nooit alleen, Lilly is van jou, en gaat overal mee. Je weet, dat je Lilly tot je vrouw wilde hebben. Ik weet niet, of je dat nog wilt. Maar ik ben van jou, waar je ook heengaat. Ik laat je niet. Het is uit, ik kan niet meer, je bent de laatste, maar je bent ook alles. . . alles. . . alles.

De rest verstikte onder tranen. In mij streden de tegenstrijdigste gevoelens. De woorden klonken mij theatraal. . en toch had ik oneindig medelijden met haar. Zooveel liefde had ik niet verwacht. Maar zóó mocht het nooit worden, zij bleef hier. Om er een einde aan te maken, omarmde ik haar heftig. De warme vormen van haar lichaam, niet gesnoerd door een korset, drukten zich week tegen mijn borst, mijne zinnen werden daardoor wild, en schoven elke bedenking terzijde.

Lilly, liefste Liesje. . . L ,

Ik meende eiken weerstand te hebben gebroken, t was als toen in 't woud bij de eerste maal. . . Maar onverwacht rukte zij zich los uit mijn heete omhelzing, hare handen

hielden mij met kracht terug.

— Wilhelm, zweer je, dat je Lilly nooit meer zult

verlaten, nooit?. . . .

Weer die theaterpraatjes! — Wees toch stil, dom kind,

— later — nu niet. . .

— Neen, neen, neen!

Zij week, dit zeggend, van mij weg, tot voor het andere venster waar zij bleef staan, het maanlicht vol en glanzend op haar schouders en loshangend haar. Haar stem werd ietwat sissend, door de poging, om, trots naar hartstocht, zacht te spreken. — Wilhelm, ik blijf toch geen dag meer hier, geen enkele dag. . . ik ga toch. . . en jij wilt toch