Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

óók weg. . . jij vlucht óók uit al dien waanzin. . . waar om zou ik niet met je. . . ach, je wilt immers ook, nietwaar?

Zij kwam weer op mij toe, langzaam, met groote oogen; nog twee maal herhaalde zij. . . Je wilt immers ook, nietwaar?... 'tWerd mij onbehaaglijk. Ik wist niet, wat te doen, en voerde haar naar de sofa toe. Ik legde mijn arm om haar middel.

— Lilly, wees verstandig, laten wij de zaak eens bepraten. . .

— Heb je mij lief? — onderbrak zij — zeg dat eerst: heb je Lilly lief?

— Ja, dat weet je, zei ik, ietwat gedwongen — het woord «liefde» klonk zoo gemaakt.

— Ja, zeker heb ik je lief, Lilly. Maar er is iets hoogers in de wereld dan liefde ...

Zij ging wat terug en trok de schouders op.

— Luister, Lilly, jij, evenals ik, jij vóór alles — wij hooren niet ons zelf toe, wij behooren de wetenschap...

— Een vonkje liefde is meer waard dan al jullie wetenschap.

— Dat is een romanphrase, Lilly, 't Geld hier wat anders. Weet je, waarom ik hier wegga ?

— Omdat je de eenige verstandige mensch bent onder gekken.

Haar oude wrok tegen den graaf! Mijn onbehaaglijkheid werd sterker, maar ik deed mijn best een eind aan de scène te maken.

— Lilly, toe, luister nou. Je weet, dat je kracht te kort geschoten heeft den laatsten tijd ?

— Stel—lig. Haar stem klonk vreeselijk bitter.

— Nu goed. En jij, jij weet ook, dat — dat waarschijnlijk onze — liefde schuld daaraan heeft.

— Ach, onze liefde !

Zij steude haar beide handen onder de kin

— Wilhelm, dient deze redeneering eigenlijk ergens voor ?

— Neen, het diende nergens voor. Maar ik wilde tot eiken prijs een einde maken aan deze comedie.

— Lieve Lilly, er is maar één middel, om jou voor de wetenschap te behouden, en dat is — scheiding.

De maan scheen helder over haar gezicht, hare trekken stonden droevig.

— En als ik je nu zeg, begon zij langzaam, — dat

Sluiten