Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel gekund, omdat ik een nauwkeurig beeld van de boeken-

olank in mijn geheugen had.

Ik probeerde het, sloot de oogen, en nu nog, nadat ik maanden lang mijn kamer in Berlijn niet betreden had, vond ik boek voor boek, zelfs de opschriften der zestien deelen Konversations Lexikon. Juist omdat ik mij deze dingen door onophoudelijk zien ingeprent had, stonden zij zoo vast en konden gemakkelijk in den droom terugkomen, bn wat' ook eigenaardig bij 't droomenleven hoorde, was de bijzondere, in wakenden toestand bij zulk een huiveringwekkende verschijning hoogst onwaarschijnlijke kalmte van waarneming, het opmerken van een koffievlek, de herinnering aan het dropje zegellak - ik had, kortgeleden, in den anderen droom, wel gelet op het onderscheid van maan-

en kaarsschaduw.

Overeenkomend met een droom was het domme nadrukleggen op 't woord «tweede» in het spreken van den

SeeSKorrekt volgde dan, op 't oogenblik van 't werkelijk

ontwaken, de ontzetting, de schreeuw.

Dan de wonderlijke verwarring in de tijdberekening Waarschijnlijk had de droom niet plaatsgehad «even voor elf» doch geruimen tijd vroeger. Het heel uur dat de klok sloeg, kon tien zijn geweest, toen ik veel later naar de wijzerplaat keek, was het half twaalf. In he, protocol stond echter alleen de aanteekening, dat het visioen zéér kort vóór een heel uur verschenen was, en daaruit werd de gevolgtrekking gemaakt, dat het elf moest zijn geweest, daar ik anders de slagen half elf en elf hao moeten hooren. Dit argument leek mij niet steekhoudend meer toe. Als de opmerkzaamheid was afgeleid, kon men dicht onder de klok zitten en toch de slagen niet hooren, ten slotte deed dit alles er niets toe, daar het uur van den dood 's morgens elf uur was geweest. Mijn treurige stemming bereikte haar hoogste punt. Mijne gedachten zweefden naar het begin van mijn dwaalweg, ik herinnerde mij de rede van den graaf. De betoovering was weg. Nu was er geen vliergeur, geen benevelende rijnwijn, nu lag er geen kerkhof in 't morgenrood. Nooit meer openden zich de liDPen van den dooden man, die daar buiten in zijn familiegraf sluimerde. Ik zag de keerzijde van zijn zelfgeslagen medaille als redder der menschheid. Was het toch ook •liet weer de oude, onbegrensde aristocratentrots, de zucht 0111 alles te willen hebben, de gedachten te beheerschen ?

Sluiten