Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spei in den haard, en, hoog boven de zwarte kastanjemuur voor het venster, een paar kleine, bleeke sterren.

Het knetterde en kraakte, en ik wist, dat ik twee menschen verbrandde.

Er steeg niets meer op uit deze vlammen, geen geest, die, verzoend, naar gene zijde zweefde — deze asch was een einde, een volkomen einde, twee rollen waren uitgespeeld, voor nu en altijd.

Raadselachtiger omsluierd dan ooit verscheen mij het menschelijk zijn in dat uur — en ik vroeg mij af, of het waard was, het korte leven te wijden aan eene vraag, die de dood allerwegen oploste voor den meest wijze en den meest arme van geest, een oplossing, die ook tot mij zou komen.

Den volgenden morgen héél vroeg verliet ik voor goed het slot. Mijn bagage was reeds aan het station, en ik maakte deze wandeling voor 't laatst te voet — langs denzelfden weg, dien ik, in de middaghitte met Lilly was gegaan, bij onzen terugkeer uit Berlijn, 't Weer was droef, de lucht vochtig, men wist nauwelijks, of de zon al dan niet op was gegaan.

Een laatst herdenken ging door mijn ziel, een geweldig noodlot was over mij gegaan, had mij neergeworpen. Wat kwam er dat opaan, waar anderen zooveel meer leden! Elk spoor van haat, van verachting voor Lilly was uit mij geweken. Ook dit arme wezen was een product der omstandigheden.

— Wat had het leven van haar gemaakt? Nog eenmaal overdacht ik de problemen van het spiritisme. Ook hier was het bittere bezonken. Ik zelf had voor mijn leven met deze dingen afgerekend; maar ik wilde er óók niet tegen strijden. Misschien waren andere zoekers gelukkiger dan ik. Veel wat ik gelezen had, was door dit eene geval niet opgehelderd. Alleen scheen heel deze waanzinnige, zenuwachtige jacht naar het laatste weten mij in principe niet meer zoo verheven, op dat punt had ik geleerd.

Toen ik uit de velden kwam, werd het wat lichter, maar het bleef een regendag. Van verre zag ik een stoet arbeiders, die langzaam naar de poort eener aan den weg gelegen, fabriek, toegingen. Deze arme, slechtgekleede, slaperig uitziende menschen, maakten, zooals zij daar door den grauwen morgen trokken, een diepen indruk op mij. De laatste glorieschijn, die over mijn avontuur had gelegen, verbleekte. Uit de diepten der wereld voor mijn oogen scheen een stem te komen — de stem der menschheid. Zij kwam

Sluiten