Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonder pathos, met een snijdende na*"urH^he^'

?eide dat die strijd om een hiernamaals, om de geesten eener' verborgen bovenwereld, in geen geval het hoogste streven van onzen tijd kon zijn. In deze wereld des Lichts gold het de levende geesten te doorgronden, de g?es*en van "ellende onderdrukking, en zedelijke duisternis, die het zijn tad£ wereld vergiftigen, en het verlangen naar een beter hiernamaals kunstmatig opwekken, ook tegen het verstanden Nu was voor mij dit alles niet meer overgoten van gouden schijn, als toen bij de rede van df" 8™*!= ik voelde noch mijzelf, noch iemand anders als; eer'Messias Ik zag het lijden der levende menschheid geheel naakt kleurloos in de stemming van een regendag.

Misschien was dit noch het beste resultaat van mijn

dwaalweg, dat hij mij onverbiddelijk in het leven terugwierp. Echien was mijn' oog, dat vergeefs zich om den dood bekommerd had, nu helderder om het leven ^ z,en.

— Gij hebt den dood geen leven kunnen geven, klonk het in mii help tenminste het leven levend maken.

De schrille klok der fabriek riep de arbeiders in h"j" kerker, — het spokengeluid nep het leven. Ik knikte sti. voor mij heen. *t Was goed zoo — ik wist.

*

* *

Nu zat ik in den trein. Mijn blik gleed over den landwee buiten. Hier had ik met den graaf gereden op den

morgen, toen de zon goudrood in het P'^boSCh SC^serdat — hier met Lilly, op een heeten middag — nu was alles uit. Regen, regen, overal, een leeg, kleurloos grauw. Verder aldoor verder. Een allerlaatste, moede treurigheic overviel mij. Het rollen der raderen dreunde tot mij op als een wegzwevende melodie, een dof vaarwel van d doode vrienden, van de doode geliefde, van heel de: doo e geesten- en zielenwereld, die ik in t Spreewoud achterliet.

Daarna, naarmate ik de wereldstad nader e, ^ het langzaam voor een soort vredige warmte. Ik dacht aan Thérèse Zou zij daar zijn? Voor 't eerste vermoedde ik nu toch weer, dat ik haar zou kunnen liefhebben, en nie enkel tot haar terugkeerde om rust, vrede en troost t vinden. Zij was gerijpt door wat tusschen ons lag en

ik WDe huizen der wereldstad doken op, groot grauw, met holle, manende oogen, die mij riepen, die elkeen riepen,

Sluiten