Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oppasser de vraag, of struisvogels wel konden hooren. Hij lachte smakelijk en antwoordde : „Zij kunnen uitstekend hooren". In mijne tegenwoordigheid nam hij proeven met verschillende struisvogels, waaruit de juistheid zijner mededeeling boven eiken twijfel verheven werd.

De man had het recht te lachen, want als men dertig jaren lang belast is met de voedering van een half dozijn struisvogels, dan kan men werkelijk wel beoordeelen, of zij kunnen hooren!

Men kan zich gemakkelijk voorstellen, hoe die verkeerde opvatting der negers is ontstaan, als men de struisvogels beschouwt in den paartijd. Gedurende dien tijd maken zij, evenals de auerhaan en het korhoen den indruk van doof te zijn.

Daar bijna alle dieren, zoodra de tijd nadert, waarop zij worden gevoederd, hunne zintuigen zoo veel mogelijk inspannen, om den oppasser waar te nemen, als hij met het voedsel nadert, zoo is de door velen verkondigde meening, dat men zich in dierentuinen geen oordeel kan vellen over de zintuigen der daarin aanwezige dieren, zonder twijfel onjuist. Het heeft integendeel de aandacht van een aantal oppassers getrokken, dat sommige dieren op den tijd der voedering — b. v. apen' giraffen, katten — hunne verzorgers, die hun het zoozeer begeerde voedsel brengen, reeds op zeer grooten afstand herkennen en duidelijk van hunne blijdschap blijk geven, terwijl andere, zooals b. v. zebra's, wolven, beren, hyena's, die toch evenveel honger hebben, de eigenschap missen, de verzorgers reeds op een afstand te herkennen. Zeer terecht hebben zij dan ook de laatstgenoemde dieren niet voor dommer gehouden, maar de oorzaak van hun optreden gezocht in de mindere voortreffelijkheid van hunne oogen.

Wij hebben in dit werk, door handelingen die ons onverstandig of merkwaardig voorkomen, tot hare ware beteekenis te herleiden, niets anders beoogd, dan een daad van rechtvaardigheid uit te oefenen jegens de dierenwereld.

Sluiten