Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

De Invloed der vroegere levenswijze en van andere eigenaardigheden.

Algemeene inleidende beschouwingen over de

juiste kennis van de ziel der dieren.

Er is over de ziel der dieren en den juisten weg om die te leeren kennen zóóveel geschreven, dat men geheele boekdeelen zoude kunnen vullen, indien men ten opzichte van iedere opvatting zijn standpunt zoude willen verdedigen. De geringe omvang en het doel van dit werk laten mij niet toe, anders dan in grove trekken mijn standpunt te kenschetsen.

Zooals ik reeds in de inleiding voorop stelde, zie ik de voornaamste fout hierin, dat wij ons geene heldere voorstelling maken van de afwijkende organisatie der zintuigen bij de meeste dieren. Daarover zal later nog voldoende gesproken worden. Bovendien moet men zich voor twee uitersten hoeden. Het is natuurlijk belachelijk, als men, zooals dit herhaaldelijk voorkomt bij geleerden, die niet voldoende met de dieren bekend zijn, van de dieren alleen spreekt als van machines. Hoe zou de eigenaar van eenen grooten hond zijne hand zonder vrees in diens muil durven steken, terwijl toch een eenvoudig sluiten van den muil voldoende zou zijn, om die hand te vermorzelen, indien hij er niet van overtuigd was, dat de hond zeer nauw-' keurig wist, dat hij zijn natuurlijken drang tot bijten moest

Sluiten