Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijne opvatting niet volkomen vrij van zulke onjuiste opvattingen. Als voorbeeld vermeld ik den mol. Brehm schrijft namelijk: „Hij bezit reeds een oog, dat tamelijk geschikt is, om te zien, en daarom zijn de schoone woorden van Rückert zoo volkomen juist, als hij zegt:

„De mol is niet blind, maar slechts klein is het oog,

Hem naar zijn' behoeften gegeven;

En komt hij in zomersche nachten omhoog,

Dat oog ziet het sterrenheir zweven.

Een lichtstraal geleidt onbewust op zijn' schreden

Den mol, die weer wroet daar beneden."

Ik houd den geheelen gedachtengang van dit gedicht voor totaal onjuist, daar deze den indruk maakt van eene verontschuldiging, waarvoor absoluut geene aanleiding bestaat. Brehm en Rückert geven immers beiden toe, dat de mol op zijne wijze voortreffelijk georganiseerd is, en toch kunnen zij zich niet losmaken van de voorstelling van zoovele naïeve menschen, die meenen, dat de zwarte klant een stiefkind der natuur is. — Zoodanige stiefkinderen bestaan echter alleen in de fantasie, immers de natuur is steeds en onder alle omstandigheden honderdmaal wijzer dan wij allen te zamen. Als de natuur hem volgens den wensch van een aantal wereldhervormers de zintuigen gegeven had van den mensch, dan zou er tegenwoordig geen enkele mol meer bestaan. Immers onze oogen zouden onder den grond totaal onbruikbaar zijn, en onze stompe neus zou volkomen ongeschikt zijn om voedsel op te sporen.

Doch afgezien hiervan is er in de voorstelling, dat de mol zich in de schoonheid des hemels verheugt of er onder lijdt, dat hij die niet kan bewonderen, iets belachelijks gelegen. Ik' houd de beweringen van Schopenhauer, dat geen enkel dier den blik richt naar den sterrenhemel, voor onjuist; hiermede in

Sluiten