Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strijd is reeds het feit, dat honden de maan aanblaffen, wel meen ik echter, dat ik bij geen enkel dier gevoelens mag onderstellen, die ik niet aanwezig vind bij natuurvolken. De leidende grondgedachte moet voor ons steeds zijn: wordt diezelfde voorstelling ook bij de natuurvolken gevonden? Hij die dus de ziel der dieren goed wil verstaan, moet niet volkomen onbekend zijn met de volkenkunde en vooral met de psychologie der volkeren, anders zal hij de grootste bokken schieten. Juist in het missen van die kennis zie ik de hoofdreden, waarom eenvoudige lieden uit het volk, die dikwijls de voortreffelijkste waarnemers der dieren zijn, de meest ongeloofelijke meeningen verkondigen over zoogenaamde voorstellingen der dieren.

Daar nu bewondering voor natuurschoon volkomen gemist wordt bij talrijke Oostersche volken, die zich volstrekt niet kunnen voorstellen, waarom wij voor dat doel groote reizen ondernemen, zoo is het volkomen onaannemelijk, dat de mol eenig begrip zoude hebben van de schoonheid des hemels, daargelaten nog, dat hij naar mijne meening met zijne niet zoo goed ontwikkelde oogen geene sterren kan waarnemen.

Als ik den mol goed begrijp, dan zou hij zich, als men hem over den mensch en diens handel en wandel eenige begrippen zoude kunnen bijbrengen, aldus over den mensch uitlaten: „Arme stakkers, met uwen stompen neus, gij hebt niet het minste vermoeden, hoe heerlijk een vette regenworm riekt! — Wat hebt gij dus eigenlijk aan uw ellendig leven!"

Zoo houd ik ook de meening van een overigens voortreffelijken waarnemer der dieren, dat een hond eiken morgen eene hoogte opliep, om zich te verheugen in de schoonheid van het landschap, voor hoogst onwaarschijnlijk. Trouwens het oog van den hond is volstrekt niet in staat, op groote afstanden bijzonderheden te herkennen.

Laat men toch eindelijk eens ophouden, alles te beschouwen

Sluiten