Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit bureaucratische gewoonten verklaard. In de wildernis handelt het dier als vluchtende planteneter het doelmatigst, als het zoo spoedig mogelijk de vlucht neemt, daar er in zijn woonplaats geen boomen en huizen zijn, waar het tegen aan kan hollen.

De zoogenaamde zelfmoord der schorpioenen (zie hiervoor de zoo belangrijke waarnemingen van Budde) l) kan op dezelfde wijze verklaard worden. In de vrije natuur verbergt het dier zich zoo snel mogelijk onder een beschermenden steen of iets dergelijks. Hierbij komt, dat de schorpioen een nachtdier is, en zich dus over dag niet in normale omstandigheden bevindt. Als men een meikever plaatst in een kring van gloeiende kolen, begaat hij geen zelfmoord, niet omdat hij verstandiger is, maar omdat hij kan ontvluchten door weg te vliegen. Daartoe behoeft hij niet snel onder een steen te kruipen, maar zoekt hij veeleer een geschikt hooggelegen punt, van waar hij kan opvliegen.

Het is bekend, dat de stier een afkeer heeft van 100de kleuren. Ik voor mij houd het voor het waarschijnlijkst, dat wij ook hier te doen te doen hebben met een geval van bureaucratie, daar voor de wilde runderen de roode kleur iets aanwees, dat ze tot een woedenden strijd uitdaagde. Daar nu voor de buffels de tijger met zijn roode huid de gevaarlijkste vijand is, voor wien zij niet vluchten (het rund is een weerbare, geen vluchtende planteneter), maar met wien de aanvoerder der kudde, de stier, den strijd aanvaardt, zoo is hun optreden niet zoo onbegrijpelijk.

Daar de wilde kalkoen zijn hevigsten vijand heeft in den vos, zoo is het niet te verwonderen, dat ook hij een afkeer heeft van roode kleuren. Dikwijls wordt trouwens van tamme kraanvogels dezelfde eigenaardigheid vermeld. In overeenstemming met deze oorzaken moeten wij aannemen, dat in

1) A. E. Budde, Naturwissenschaftliche Plaudereien, 2de Aufl. blz. 155 env. Dr. Th. Zei.l, Hebben de dieren verstand ? 2

Sluiten