Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij den hond zoo kan hinderen, als wij met hem gaan wandelen, is bij de kat volkomen uitgesloten. Dat ook een sluipend roofdier onder sommige omstandigheden wel eens aan het loopen gaat, als de vijand vermoeid is, blijkt uit de waarnemingen, die men bij een getemden los heeft gedaan. (Ook hierop komen wij nog nader terug.) Een loopend roofdier moet er bij iedere langdurige vervolging op gevat zijn, dat zijn slachtoffer in het water springt; dus dan mag ook het water geen beletsel tegen de vervolging zijn. Daarom zwemmen alle honden, en vinden zij het bijna zonder uitzondering allen aangenaam. Bij de katten is het zwemmen alleen in hoogst enkele gevallen noodzakelijk, daarom kunnen zij dan ook wel zwemmen, doch zonder voor het water eenige voorliefde te hebben.

Loopende roofdieren moeten ook kunnen graven, voor het geval dat een vervolgd dier in holen vlucht. Wolven trachten stallen te ondergraven, honden graven muizengaten open enz. Katten daarentegen houden zich met dergelijken omslachtigen arbeid niet bezig, en wel reeds daarom, omdat zij niet kunnen speuren en dus in het geheel niet weten, of een gat bewoond is of niet. Zoo kan dus het zoo totaal verschillende gedrag van hond en kat zeer natuurlijk en logisch hieruit worden verklaard, dat bij den eersten de neus, bij de laatste het oog het voornaamste zintuig is, en dat de laatste een sluipend, de eerste een loopend roofdier was. Zoo is ook blaffen tegen wielen en andere voorwerpen, wat ons bij de honden zoo merkwaardig voorkomt, als het ware een gevolg van het karakter van loopende roofdieren, en dus niet zoo merkwaardig, als men op het eerste gezicht zoude meenen.

Weerbare en vluchtende plantenetende dieren.

Voornaamste en reserve-ledematen.

Wij moeten thans nader terugkomen op het verschil tusschen weerbare en vluchtende plantenetende dieren, daar hierin belang-

Sluiten