Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rijke vingerwijzingen tot juist begrip van merkwaardige handelingen worden gegeven. Tot de weerbare dieren behooren, behalve het rund, ook nog de eland en het wilde zwijn, de groote apen, zooals de gorilla en de orang-oetan, de rhinoceros, in zekeren zin ook de olifant enz. Natuurlijk komt het ook bij die dieren wel voor, dat zij vluchten en wel vooral, als zij met menschen in aanraking komen — maar het vluchten is toch niet hun ware element. Daar zij zich bewust zijn van hunne kracht en daarom niet gewoon zijn zoo bijzonder te letten op geluiden, meent men dikwijls ten onrechte, dat hun gehoor slecht is. Daarentegen zijn paarden, herten, reeën, antilopen enz. met uitzondering van enkele soorten, die tot de weerbare behooren, vluchtende planteneters, dat wil zeggen, zij zijn geheel aangelegd op vluchten. Natuurlijk zullen zij zich verdedigen tegenover zwakkere vijanden, zooals b.v. eene kudde paarden tegenover een enkelen wolf; ook zullen bepaalde omstandigdigheden hun moed aanwakkeren, zooals b.v. het geval is bij herten en kameelen, die in den bronstijd zeer kwaadaardig zijn, en bij de hennen, waar de moederliefde dikwijls eene anders zeer vreesachtige hen tot heldendaden aanspoort. In het algemeen zullen wijfjes en jongen eer op de vlucht gaan dan mannetjes. Vluchtende plantenetende dieren letten met groote zorg op ieder geluid, en daarom houdt men ze meestal voor gevoeliger van gehoor dan zij inderdaad zijn.

Als onderafdeeling der niet weerbare planteneters zou men nog kunnen noemen de planteneters, die hun leger maken in lang gras of onder struikgewas en zich klein maken, zooals de hazen, die vertrouwende op de beschutting van hunne omgeving, evenals de weerbare planteneters, den indruk maken, dat hun gehoor volstrekt niet deugt, hoewel dit juist zeer sterk ontwikkeld is.

De vluchtende planteneters zijn er zóó bang voor door een sluipend roofdier plotseling overvallen te worden, dat iedere

Sluiten