Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hierop later terug. Men beschouwt het dus als een bewijs van intellegentie, als een dier een bepaalden weg kan vinden, en dit is toch absoluut niet het geval.

Dat hond en kat niet dezelfde hoofdzintuigen hebben (waarop wij eveneens nog later terugkomen) is den proefnemers niet bekend. Het hoofdzintuig van den hond is de neus, daarom gaat hij uit van de oude plaats, waar de ring was aangebracht. Ook daarin wordt een bewijs gezien van gebrek aan verstand, wat absoluut onjuist is.

Bovendien wordt volstrekt geen rekening gehouden met het vrijheidsgevoel der dieren. Met uitzondering van den luiaard, de pad en enkele andere dieren, kan ik mij geen in vrijheid levend dier voorstellen, dat niet de vrijheid verlangt, zoodra men het in een kooi brengt. Huisdieren gedragen zich dikwijls geheel anders. Een hond of eene kat, die men in eene besloten ruimte brengt, meenen dikwijls, dat men met ze wil spelen. Op den duur zullen echter beiden steeds een uitweg zoeken, zelfs al zet men ze het heerlijkste voedsel voor.

Om nu een juist oordeel te kunnen vellen omtrent de gedane proefneming, moet men zich eerst eene heldere voorstelling maken van hetgeen gezegd is over de ledematen, die de hoofdrol bij het dier vervullen en de reserve-ledematen. Denken wij ons eens het volgende geval. Een geleerde wordt in het land der honden door deze opgepakt, opdat de honden een onderzoek kunnen instellen naar diens verstand ; met dit doel wordt hij in een kooi gesloten. In het land der honden wordt natuurlijk, daar het gebit het voornaamste der ledematen is, de kooi geopend door op eene bepaalde plaats te bijten. De professor komt niet op dat denkbeeld, en daarom wordt hij door de honden voor ontzettend dom gehouden.

Of in het apenland worden dienzelfden professor door de orang-oetans kokosnoten als voedsel gegeven. Daar de professor die niet kan open krijgen, zijn de apen zeer verbaasd en zeggen

Sluiten