Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben er een zekere angst voor, daar sterke geuren voor hen waarschijnlijk pijnlijk zijn."

Daarenboven haalt Brehm een aantal gevallen aan van den ongelooflijk gevoeligen reukzin van enkele dieren; zoo b.v. beweert hij, dat het rendier een mensch kan speuren op 500 passen. Hij is van meening, dat wij ons hiervan geene voorstelling kunnen maken, daar de neus van den cultuurmensch „ontzenuwd" is. Ik voor mij gevoel mij verplicht die opvatting als onjuist te kenschetsen; ik geloof zelfs dat men zich zeer goed kan voorstellen, waarom een hondenneus onder bepaalde omstandigheden nu eens meer, dan weder minder kan volbrengen.

Mijn betoog berust op de anologie tusschen oog en neus. Ik redeneer namelijk aldus:

Daar de neus van den stadbewoner door duizenden geuren, die hem in den neus komen, wordt in beslag genomen, is hij niet, zooals Brehm beweert, ontzenuwd, maar alleen minder geschikt, zijne diensten te bewijzen (hierbij hebben wij natuur lijk alleen een normaal mensch op het oog). Hetzelfde geldt voor ons oog, het voornaamste orgaan van den mensch. Op eene eenzame wandeling buiten kan ik ieder, dien ik ontmoet, nauwkeurig waarnemen en beschouwen, doch in de drukke hoofdstraten eener groote stad is dit letterlijk onmogelijk.

Bij den hond geldt ditzelfde in eene groote stad voor zijn neus, zijn voornaamste orgaan. Laat den hond, die buiten met het grootste gemak het spoor van zijn meester kan volgen, eens trachten datzelfde te doen in het gedrang der Leipziger of der Friedrichstrasse te Berlijn!

Evenals de mensch met de scherpste oogen in een verzameling van meerdere duizenden personen niet onmiddellijk zijn vriend kan vinden, naar wien hij zoekt, zoo kan ook de hond onder duizenden sporen zonder andere hulp onmogelijk het juiste spoor vinden.

Hoe vrijer de streek is, hoe minder oog of neus worden

Sluiten