Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

versteld over hetgeen ik gezien had. De toestel wees een afstand aan van meer dan 1200 passen. Dat de hond niets anders had kunnen speuren dan dat spoor was duidelijk uit de waarneming gebleken. Ik verklaar dat buitengewone speurvermogen van een hondenneus door vier factoren, die hebben samengewerkt: ten eerste de sterke lucht, die de eland afgeeft kort vóór en gedurende den bronsttijd; ten tweede het feit, dat in de fjelds geen plantengroei is, die het speuren in den weg staat; ten derde de armoede aan wild in de fjelds, waardoor de hond de geringste geuren kan waarnemen; en ten vierde de werkelijk bijzonder fijne reuk van den hond, waarvan ik spoedig een ander staaltje zou waarnemen."

Oberlander geeft dus voor het bewonderenswaardige speurvermogen van den hond dezelfde gronden aan, die ook ik zooeven heb aangevoerd.

Eenige dieren met een slecht gezicht.

Ik beweer, dat alle honden, die een fijnen reuk hebben, slecht kunnen zien.

Merkwaardig is het, dat Brehm dit belangrijke punt niet aanroert, en alleen van den poedel zegt, dat hij slecht ziet. Hij zegt namelijk 1): „Zijn gehoor is voortreffelijk. Reeds van verre kent hij de stem, hij onderscheidt zelfs hare beteekenis, hij kent het verschil tusschen klokken en schellen, en kent den aard en den toon van de voetstappen zijner huisgenooten. Maar zijn gezicht is slecht ontwikkeld: hij ziet niet goed en kent zijn meester op het gezicht alleen dan, ais deze zeer dichtbij is."

Er zijn een ontzaglijk aantal dieren, die een zwak gezicht hebben; het meest bekend zijn wel de zwakke oogen van den haas. Wij zullen op gezag van Brehm nog de volgende noemen :

1) Deel I, blz. 638.

Dr. Th. Zell, Hebben de dieren verstand ? 6

Sluiten