Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. De bison 1).

Daarvan zegt hij: Onder de zintuigen staan reuk en gehoor bovenaan. De bison speurt voortreffelijk en hoort op groote afstanden. Omtrent het gezicht deelen alle waar tieniers mede, dat hel zwak is, hoewel het oog goed gevormd is en zich nauwelijks onderscheidt van dat der andere herkauwende dieren. Waarschijnlijk wordt de bison in het zien gehinderd door de dichte manen, die den kop omgeven."

2. De olifant 2).

Hij zegt omtrent dezen het volgende: „Het gezicht schijnt niet bijzonder ontwikkeld te zijn, alle jagers ten minste zijn van vieening, dat het gezicht van het dier zeer beperkt is. Des te beter ontwikkeld zijn reuk en gehoor."

Daar de olifant een bewegelijken neus heeft, moet, als het door mij verdedigde standpunt juist is, zijne gezichtsscherpte zeer gering zijn. Dit wordt dan ook door Brehm zelf bevestigd. Alle oppassers van olifanten, met wie ik daarover sprak, waren van dezelfde meening. Zij maakten er mij opmerkzaam op, dat de anders zoo verstandige dikhuidige bijvoorbeeld groote stukken brood in zijn hok, met zijne oogen niet herkende, als zij wat ver van hem aflagen. Doch tevens zeiden zij, dat zijn reuk zoo ontwikkeld is, dat hij de lekkernijen zóó maar uit den zak van zijn oppasser haalt.

Ook Haacke-Kuhnert 3) zegt iets dergelijks omtrent den olifant:

„De reuk van den Indischen olifant is zeer scherp, maar gehoor en gezicht zijn niet bijzonder goed," terwijl hij van den daarmede verwanten rhinoceros uitdrukkelijk zegt:

„De steppenrhinoceros ziet slecht, hoort goed, ruikt scherp."

1) Brehm, Deel III, blz. 404.

2) Brehm, Deel III, blz. 476.

3) Das Tierleben der Erde. Deel II, blz. 210 en deel III, blz. 129 en 139.

Sluiten