Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over het ongelooflijk zwakke gezicht van den Afrikaanschen olifant leest men bij hem het volgende :

„Bij gunstigen wind kan de Afrikaansche olifant een mensch reeds waarnemen op zeer groote afstanden. Zoodra hij hem ruikt, loopt hij in allerijl weg, om dikwijls eerst naar ettelijke uren zijn dollen loop te staken. Gezicht en gehoor van den Afrikaanschen olifant schijnen daarentegen zeer slecht ontwikkeld te zijn ; hierdoor komt het, dat een jager, die een olifant onder den wind wil besluipen, zeer dicht tot hem kan naderen, zóó dicht zelfs, dat het, zooals van geloofwaardige zijde is medegedeeld, eens een jager gelukt moet zijn, de voorletters van zijn naam op het achterdeel van een olifant te schrijven, iets waartoe hij zich bij een weddenschap verbonden had.

3. De walrus, l)

Over de geestelijke hoedanigheden van den walrus kan men uit de ons tot nu toe ten dienste staande waarnemingen moeilijk een oordeel vellen, wel mag men echter aannemen, dat de walrussen niet minder verstandig zijn dan andere robben.

Pechuel-Lösche zegt van de scherpte hunner zintuigen : „Het gezicht is slecht, het gehoor echter reeds veel beter, doch het best van alles is de reukzin; immers zij weten den mensch onder gunstige omstandigheden reeds op honderden meters afstand te speuren, en zelfs nog verder; men moet dus, als men ze wil besluipen, zeer nauwkeurig op den wind letten."

Wij zullen het thans hebben over een bekend, vroeger zelfs inheemsch dier, en wel:

4. De beer 2). Van hem zegt Brehm : „Onder zijne zintuigen schijnen gehoor en reuk het voortreffelijkst te zijn ; het gezicht daarentegen is tatnelijk slecht, hoewel de oogen niet bijziend kunnen genoemd worden ; de smaak ten slotte schijnt zeer goed ontwikkeld te zijn.

1) Brehm, derde druk. Deel II, blz. 330.

2) Brehm, derde druk. Deel II, blz. 215.

6 *

Sluiten