Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Krementz heeft een aantal waarnemingen gedaan over de scherpte der zintuigen. De tamme beren van bovengenoemden schrijver herkenden hem op het vrije veld op 50 tot 70 passen, op 80 tot 100 passen werden zij niet meer door hun gezicht geleid; honig op brood gesmeerd speurden zij in het gras nog op 30 passen, en als het diep in een molsgang verstopt was, nog op 20 passen."

Van dezelfde raeening is Martenson. In zijne jachttafereelen uit Rusland zegt hij l): „Onder de zintuigen van den beer zijn zeker wel de reukzin en het gehoor het best ontwikkeld, terwijl het oog minder scherp schijnt te zijn."

Zeer uitdrukkelijk wordt het slechte zien van den lippenbeer (melursus labiatus) vermeld. Brehm 2) schrijft: „Zijne zintuigen zijn, met uitzondering van den reuk, volstrekt niet scherp; hij hoort en ziet zóó slecht, dat het volstrekt niet moeilijk is, zeer dicht tot hem te naderen." Evenzoo schrijft Haacke-Kuhnert 3): „Onder de zintuigen van den lippenbeer schijnt de reuk bovenaan te staan. Zien kan de beer volstrekt niet goed, en de eigenaardig komieke wijze, waarop hij naar diegenen uitziet, die hem in zijn rust storen, wekt het vermoeden op, dat hij bijziende is.

Zooals wij later zullen zien, moet hij meer zwak van gezicht dan bijziend genoemd worden.

5. Het wilde zwijn.

Het slechte gezichtsvermogen van dit dier, dat van een bewegelijken neus is voorzien, heeft ook de aandacht getrokken van onze jagers. Brehm schrijft naar aanleiding van dit dier 4): „Alle wilde dieren zijn voorzichtig en opmerkzaam, hoewel zij niet in den eigenlijken zin van het woord schuw zijn, daar zij op hun eigen kracht en hunne vreeselijke wapenen kunnen vertrouwen.

1) Martenson 1901 blz. 4.

2) Brehm, derde druk, Deel II, blz. 260.

3) Ilaacke-Kuhnert. Deel II blz. 24S.

4) Brehm, derde druk. Deel III, blz. 547.

Sluiten