Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij hooren en speuren zeer scherp, doch zien zeer slecht. Er is geen enkele soort van wild, die den jager, mits deze zich slechts rustig houdt en onder den wind staat, zóó dicht nadert als het wild zwijn; en er is geen ander dier onder de grootere dieren, dat men, als het rust en men weet te sluipen, zóó dicht kan naderen. Het is in Egypte meerdere malen voorgekomen, dat ik bij het besluipen van moeras- en watervogels tot op vijf schreden het wilde zwijn naderde; eerst dan, hoewel dan te laat om zich nog te kunnen redden, scheen het mijne nadering te bemerken.

En Menges 1) zegt in zijne beschrijving van het wrattenzwijn (Phacochoerus): „Ook zijn speurzin moet goed zijn; het is ten minste nauwelijks mogelijk, met den wind een zwijn te besluipen. Het gezicht daarentegen is tamelijk slecht; als het dier niet door gehoor en reuk een vermoeden heeft van de nabijheid van zijn vijand, die openlijk, natuurlijk zonder in schreeuwende kleuren gekleed te zijn, bij hem is geplaatst, dan is hij in staat op hem los te stormen, zonder dat hij hem op een afstand van 100 schreden herkent, of zonder iets merkwaardigs aan hem te ontdekken."

Ten slotte noemen wij nog:

6. De gems 2). Nadat Brehm eerst haar fijn reukvermogen op den voorgrond heeft geplaatst, zegt hij verder : „Het gezicht dezer dieren beheerscht ongetwijfeld groote afstanden, het moet echter toch veel zwakker zijn dan bij andere herkauwende dieren, daar de gemzen een stil zittenden of rustig staanden jager meestal over het hoofd zien of niet weten te onderscheiden van de omringende gesteenten. Hoewel mijne jachtvrienden mij dit vooruit hadden medegedeeld, was ik bij mijne eerste gemzenjacht niettemin niet weinig verrast, te zien hoe de opgejaagde

1) Der Zoölogische Garten, Deel XVII, blz. 270.

2) Brehm, Deel III, blz. 273.

Sluiten