Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en wel op het ornithologisch congres te Basel. Die voordracht is gepubliceerd in het tijdschrift „Der Zoologische Garten" i). Hij besluit zijne voordracht met de volgende woorden :

„Indien wij willen zoeken naar eene verklaring voor die zoo bij uitstek bijzondere gave van het oog der vogels, dan moeten wij beginnen, als het mogelijk is, deze te trachten te vinden uit de bijzondere structuur der deelen, die den lichtindruk opvangen en de breking van het licht tot stand brengen. Wij hebben vroeger gezien, dat behalve de iris bij de vogels ook de ooglidspier (musculus ciliaris) merkwaardig sterk ontwikkeld is. En niet alleen vinden wij, dat deze op geheel andere wijze is ontwikkeld dan bij de hoogere gewervelde dieren, maar ook onderscheidt zij zich bij de verschillende soorten van vogels door hare betrekkelijk sterkere of minder sterke ontwikkeling. De Engelsche onderzoeker Lee heeft bij den oehoe, den gier en den wouw de lengte van de ooglidspier nauwkeurig gemeten, en komt, uitgaande van de meening, dat van de ontwikkeling van die spier en van de aangrenzende deelen de uitgebreidheid van het gezicht afhangt, uit de verkregen resultaten tot de gevolgtrekking, dat deze van de drie vogels bij den oehoe het geringst is (het eigenlijk spierlichaam is hier volgens Lee kort, de pees lang) bij den gier grooter (de spiervezels vormen daar meer dan 3/4 van de geheele spier) en bij den wouw (de spiervezels strekken zich daar uit over de geheele lengte van de spier) het grootst is.

In hoeverre deze zuiver theoretische gevolgtrekkingen overeenkomen met de waarnemingen van hen, die gelegenheid hadden, zich practisch op de hoogte te stellen van de gewoonten dier vogels tijdens hun leven, daarover mis ik alle gegevens, en daarom kan ik daaromtrent niets naders mededeelen. Evenmin kan ik u eenige zekerheid verschaffen over den invloed, dien

1) Deel 17. Blz. 421. 1876.

Sluiten