Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere omstandigheden, zooals b.v. de grootte der oogen in vergelijking met de grootte der hersenen, of de gevangenschap of het temmen der vogels op hun gezichtsvermogen kunnen uitoefenen.

Gij ziet, mijne Heeren, dat wij hier een nog geheel onontgonnen veld hebben betreden, doch den onvermoeiden natuuronderzoeker wachten op dit gebied de heerlijkste vruchten. Het is een waarnemingsgebied, dat zich minder eigent voor den natuuronderzoeker van beroep, voor wien zich ieder oogenblik een aantal nog belangrijker vragen voordoen, dan voor den dilettant, den liefhebber van vogels. De eenige eisch, dien men moet stellen, is dat de waarnemingen volgens een bepaald plan nauwgezet en consciëntieus en zonder vooropgestelde meening worden uitgevoerd, en dat zij zoo dikwijls als dit mogelijk is worden gecontroleerd. Dan zullen ook wel de verkeerde gevolgtrekkingen die wij in de meeste beschrijvingen vinden over het ontzaglijke gezichtsvermogen der vogels, en die in de werkelijkheid alleen getuigenis afleggen van de levendige fantasie van den waarnemer, van zelf wel van de baan geraken, en zullen wij spoedig een beter inzicht verkrijgen in het hoogst interessante, thans nog zoo ingewikkeld schijnende verschijnsel."

Hoewel ons dus de oogspiegel in den steek laat, zien wij toch bij eenvoudig nadenken, dat bij de slecht ziende dieren zwakte van gezichtsvermogen en niet bijziendheid in het spel moet zijn. Als de hond bijziend was, dan zou hij, daar de bijziende dichtbij het best kan zien, op korten afstand de grootste gezichtsscherpte openbaren. Doch inderdaad is juist het omgekeerde het geval. Als bijvoorbeeld een hond een spiegel ziet, die op den grond staat, dan loopt hij daarop af, omdat hij meent, dat hij een anderen hond ziet. Doch zoodra hij vóór den spiegel gekomen is, ruikt hij eerst, en keert dan, daar hij met zijne speurorganen niets waarneemt, weder om. Als hij bijziend was, dan moest hij, daar hij in de nabijheid even goed zou

Sluiten