Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat de prikkeling onzer organen door de reukverspreidende stof geene eenvoudige scheikundige reactie is, blijkt reeds hieruit, dat wij niets ruiken, als de lucht, die met de riekende stof bezwangerd is, zich niet in onzen neus beweegt. Ik trek daaruit en uit de groote vluchtigheid der stoffen de gevolgtrekking, dat het bij het ruiken de waarneming van eigenaardige, zeer fijne bewegingen geldt, zooals bij het hooren en het zien, maar de bewegingen zijn van anderen aard. Het karakteristieke van tonen en kleuren is, dat zij eene schaal vormen (hoogere en lagere tonen, sterk breekbare en weinig breekbare kleuren), dat zij in getalsverhoudingen tot elkander staan (octaven, kwinten enz.) en zich alleen quantitatief van elkander onderscheiden. Dit alles is bij de geuren niet het geval. Wij kennen geen schaal voor geuren, de verschillen zijn hier dan ook zuiver qualitatief.

Ik meen door een beeld het best te kunnen ophelderen, hoe ik mij de reukbewegingen voorstel. De geuren komen overeen met verschillende tonenmelodieën, waartusschen wij immers ook geen quantitatieve, maar uitsluitend qualitatieve verschillen onderscheiden, en waarbij een dergelijke verwarde, bonte onregelmatige verscheidenheid mogelijk is, enz."

Ook Jager betreurt het dus, dat de wetenschap ons hier totaal in den steek laat, hoewel, zooals later (in het derde hoofdstuk) zal worden aangetoond, de practische gevolgen van ontzaglijke beteekenis zijn.

Het is ontwijfelbaar zeker, dat reukstoffen in tegenstelling met de lichtstralen, gasvormig zijn. Om een reukstof waar te nemen, moet zij, zooals Jager terecht op den voorgrond stelt, in beweging zijn, zij is dus afhankelijk van den wind. Daarom geschiedt het ruiken door snuffelen, dat is door kunstmatig eene luchtbeweging voort te brengen. Om een lichaam door het oog te herkennen, moet er licht aanwezig zijn, wat bij het ruiken volstrekt niet noodig is.

Sluiten