Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Andere zeer gewichtige punten van verschil zullen wij later nog bespreken.

Meer dan door de vergelijking, door Jager gebruikt, schijnt het mij toe, zooals ik reeds vroeger heb uiteengezet, dat een juist begrip van het reukvermogen der dieren gemakkelijk wordt gevormd, indien wij ons een voorstelling maken van het eigenaardige der kleurenblindheid. Hij die kleurenblind is, ziet niet slechter, maar daar hij die b.v. voor rood licht kleurenblind is bij het zoeken van aardbeien de rijpe aardbeien evenzoo ziet als wij de onrijpe, groene, zoo is het gemakkelijk te verklaren, dat hij te vergeefs zoekt, waar hij die een normaal gezichtsvermogen heeft, onmiddellijk toegrijpt. Diezelfde eigenaardigheid komt ook wel voor bij niet muzikaal ontwikkelde menschen, die tonendoof zijn, dat wil zeggen, die de verschillen, die een muzikaal mensch onmiddellijk herkent, niet waarneemt, hoewel het kan zijn, dat de niet muzikaal ontwikkelde voortreffelijk kan hooren. Als wij ons nu voorstellen, dat iemand op een kaart een roode lijn moet volgen, b.v p een scheepvaartkaart den weg van een bepaald schip of op een plan van Berlijn den weg van een bepaalde tram moet nagaan, dan is dit voor iemand met normale oogen eene kleinigheid, terwijl hij die kleurenblind is voor eene onmogelijkheid wordt geplaatst. Heeft nu de hond — zooals wij moeten aannemen — bij iedere uitwaseming, die hij ruikt, eene bebepaalde voorstelling, overeenkomende met de verschillende kleuren, dan is het duidelijk, dat hij onder honderd sporen zonder zich. een oogenblik te vergissen het juiste vindt en volgt, terwijl wij voor een raadsel staan. In vergelijking met den hond zijn wij niet alleen zwak van reuk, maar ook om het zoo uit te drukken reuk-kleurenblind. Een geleerde hond, die als professor den mensch zou moeten beschrijven van zijn kunocentriscli standpunt (dat is van het hondenstandpunt) zou van hem moeten zeggen : hij heeft den neus in de oogen.

7 *

Sluiten