Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

T

5°. Vergelijkingen met menschen kunnen niet gelden.

Daar wij als cultuurmenschen niet meer onze zintuigen tot het uiterste hebben in te spannen, maar veeleer onze hersenen, opdat wij het hoofd kunnen bieden aan de bovenmatige concurrentie, moeten wij elke vergelijking met handelingen van menschen met de grootste voorzichtigheid aannemen. Men kan niet zeggen : Mijn hond of mijn paard herkende mij niet, toen ik een nieuwe uniform had aangetrokken of toen ik mij in politiek had gestoken, maar de meeste menschen op straat herkenden mij ook niet. Want hond en paard willen den man herkennen, die hen aait of die ze juist zoo behandelt als hun vorige meester; maar zij kunnen het niet, want het nieuwe pak geeft een geheel andere lucht af dan het vorige. De menschen op straat daarentegen hebben duizenden andere gedachten in het hoofd en hebben heel wat gewichtigers te doen, dan ieder mensch, dien zij tegenkomen, nauwkeurig op te nemen. Onder die personen, die daartoe den tijd hebben en daartoe ook verplicht zijn, behooren bijvoorbeeld de politieambtenaren. Zou inderdaad een misdadiger meenen, dat hij door geen politiebeambte zou worden herkend, als hij onverwachts een nieuwe uniform, b.v. die van een livreibediende of van een tramconducteur aantrok ?

6°. De beteekenis van oefening. Een hoogst belangrijke factor bij de beoordeeling der zintuigen is bovendien de oefening. Twee personen kunnen volkomen dezelfde gezichtsscherpte hebben, en toch neemt de één tallooze zaken waar, die den ander volkomen ontgaan. De jager bemerkt aan ontelbare, ieder op zichzelf volkomen onbeduidende kleinigheden, öf en zoo ja welke soort van wild hij vóór zich heeft, een officier ziet onder een groote troep soldaten, bij welken soldaat een kleinigheid aan de kleeding niet in orde is; een schaapherder herkent ieder schaap; een geleerde vindt onmiddellijk in een drukproef de daarin gemaakte drukfouten — alles zaken, waarbij het niet

Sluiten