Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de scherpte van het gezicht betreft, overtreffen dus de vogels ongetwijfeld de zoogdieren; doch in het reukvermogen staan zij belangrijk bij deze achter. De bewering echter, dat zij zoo goed als niet speuren, en dus hun reukvermogen ongeveer nul is, verraadt de grootste onkunde bij hen, die deze meentng verkondigen

De uitnemende schrijver over jachtverhalen, Oskar Hom, is eveneens een bestrijder van mijne meeningen in het Jagersblad l), waaraan hij een ijverig medewerker is. Hij zegt echter omtrent bovengenoemd punt het volgende : „De vogels ruiken zoo goed als niet. Het is onbegrijpelijk, hoe zelfs in vakbladen jagers hunne jachtavonturen beschrijven en bijvoorbeeld hun eigen onhandigheid bij de jacht op korhoenders aan den ongunstigen wind wijten. De roofvogels, van den koninklijken arend tot aan het gespuis van kraaien en dergelijke vogels, zien scherper dan eenig ander dier; doch hunne reukorganen deugen volstrekt niet.

Laat ons ten slotte nog de meening omtrent dat punt hooren van een zoo voortreffelijk waarnemer der dieren als von Wissmann.

In het reeds vroeger aangehaalde werk schrijft hij: „De scherpte van het gezicht moet voor den struisvogel het gemis der overige zintuigen, die dienen voor de veiligheid van het wild, vervangen, want speuren kan de struisvogel evenmin als alle andere vogels

Ik laat het nu verder den opperhoutvester Rothe zelf over, de beschuldiging over „groote onwetendheid" uit te vechten met Oskar Hora, von Wissman en bovendien met den hoogleeraar in de dierkunde Marshall; ik zelf deel later nog uitvoeriger mijne meening mede over het reukvermogen.

Evenzoo bestrijdt Oskar Horn hetgeen ik beweer omtrent hoornvee en dieren met een krachtig gebit. Doch ook hieromtrent zal ik later mijne opvattingen mededeelen.

1) „Tag" No. 51 van 31 Januari 1902.

Sluiten