Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bovendien is Horn het in zóóverre niet met mij eens, dat hij het hert en den vos niet voor zwak van gezicht houdt. Hij is van meening, dat menigmaal het feit, dat de vos den schutter niet herkent, moet worden toegeschreven aan de ligging der ooren. Men zou echter kunnen vragen, waarom bv. trapganzen of zelfs kraaien of patrijzen, waarvan de oogen nog veel dieper liggen, den jager, die onbewegelijk blijft staan, dan toch op groote afstanden herkennen. Het komt mij dan ook voor, dat de verklaring van Horn niet steek houdt.

De voorbeelden, die Horn zelf aanhaalt, spreken meer voor mijne meening dan voor de zijne. Hij verhaalt, dat hij met een geestelijke van jas had geruild, en zoo in het geestelijke kleed in de nabijheid had kunnen sluipen van een schuwen reebok. Blijkt daaruit niet, dat het oog van den reebok alleen de grove omtrekken, het kleed, herkent, maar niet het gezicht ? Verder zegt hij: „Ook tellen heeft het dier niet geleerd. Het is een bekende kunstgreep, dat van twee met elkander loopende jagers, zoodra zij een reebok te zien krijgen, de één zijn weg hoorbaar voortzet, en de makker blijft staan; de bok staart den jager, die zich hoorbaar beweegt, na en vergeet den anderen, die rustig blijft staan, en die nu den tijd in overvloed heeft, om het domme dier een kogel door het lichaam te jagen."

Terwijl eene klokhen met een dozijn kuikentjes onmiddellijk merkt, dat men één daarvan heeft weggenomen, zou een ree volgens Horn niet tot twee kunnen tellen, en dus niet kunnen waarnemen, of haar een jong is ontnomen of niet! Wie zou dit in ernst kunnen gelooven ? Is mijne verklaring niet honderd maal rationeeler, dat de ree met haar zwak gezichtsvermogen niet duidelijk kan herkennen, of één dan wel twee personen weggaan, en dat zij dus daardoor bedrogen wordt.

De opperhoutvester Rothe geeft alleen toe, dat het „zwartwild" (wilde zwijnen) slecht ziet, doch van herten, paarden,

8 *

Sluiten