Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het schijnt zich volkomen er van bewust te zijn, dat het inet het oog zeer moeilijk de voorwerpen kan onderscheiden. Hij die dikwijls op eene ongedekte plaats een stuk wild heeft afgewacht, zal mij moeten toegeven, dat zelfs de sluwste reebok en het grootste hert den jager, die op zijne verhevenheid zit, niet kan onderscheiden van de overige voorwerpen, hoe lang hij dien ook met de grootste opmerkzaamheid uit de onmiddellijke nabijheid waarneemt. Het is daarbij echter beslist noodzakelijk de oogen te sluiten, wanneer het wild den jager van zeer dichtbij aanziet; immers onwillekeurig beweegt men de oogen, en de minste beweging, zelfs reeds de schittering der oogen, verraadt aan het wild, dat in het verdachte voorwerp leven huist, zoodat het onmiddellijk op de vlucht gaat.

Reeds dikwijls heb ik mij bij gunstigen wind geplaatst in de onmiddellijke nabijheid van het dagelijksche pad van het wild, alleen om te kunnen constateeren hoe groot het onderscheidingsvermogen van het wild is. Als ik bij het naderen van het wild de oogen sloot, dan kwamen de dieren zóó dicht langs mij heen, dat ik ze bijna zou hebben kunnen aanraken."

Ieder onbevangen lezer ziet onmiddellijk, dat het voorgaande eene schitterende rechtvaardiging is van mijne theorie. Het is toch inderdaad belachelijk te zeggen: „De opperhoutvester Rothe heeft gelijk, herten en reeën hebben uitstekende oogen .. . maar zij kunnen daarmede den mensch niet van zijne omgeving onderscheiden, zij kunnen dus geen ander schepsel, dat zich kalm houdt, herkennen. Zou men het niet allerbespottelijkst vinden, als iemand beweerde, dat mijnheer X zeer muzikaal is, maar dat hij „die Wacht am Rhein" niet kan onderscheiden van „Gott erhalte Franz den Kaiser", of dat Y een zeer fijnen neus heeft, maar dat hij den reuk van eau de cologne verwart met dien van oude kaas!

Tevens moet men het volgende in aanmerking nemen. Oskar Horn heeft volkomen gelijk, dat alle dieren met een zwak ge-

Sluiten