Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik hem met de oogen kon volgen, weg als liep de duivel achter hem aan. Eene dergelijke waarneming deed ik bij een Bernardinerhond. Toen de leeuw vijftien maanden oud was en flink was gegroeid, bezocht ik met hem een herberg, die naast de verblijfplaats mijner dierencollectie staat en waarvoor juist een bakkerswagen stond met een grooten trekhond (een Bernardinerhond). Nauwelijks zag de hond op dertig pas afstand den leeuw met zijn reeds zeer majestueuzen stap naderen, of hij plaatste zich vast besloten vóór zijn wagen, gereed dien tegen den vreemden hond te verdedigen. Zoodra de leeuw, die juist zonder eenige kwade bedoeling op hem afkwam, in zijne nabijheid kwam, trok ik hem den anderen kant om, en de hond, die eerst den neus optrok, maakte van de gelegenheid gebruik, aan den staart van den leeuw te ruiken, en onmiddellijk zakte hij evenals de zoo aanstonds genoemde patrijshond van achteren door, en zijn wagen erbarmelijk in den steek latend, rende hij met den staart tusschen debeenen naar den hoek van een straat, en daarna holde hij, als werd hij als een blad van een boom door een stormwind weggeblazen, naar de volgende straat, waar hij jankend zijn klaaglied liet hooren, en van waar zijn meester hem moest terughalen. Hadden de honden een scherp gezicht gehad, dan hadden zij aan de klauwen, die driemaal grooter waren dan de hunne, aan de groote oogen, de groote stappen, moeten merken, dat een ander dier naderde, en hadden zij ten minste voorzichtig eenige stappen op zijde kunnen gaan, evenals mijne katten dit doen, als de leeuw nadert. Daarentegen zijn leeuw en kat zeer verziend. Dikwijls werd ik door het gedrag dier dieren opmerkzaam gemaakt op dieren, die op grooten afstand verwijderd waren en die ik anders niet zou hebben gezien; dit kon volstrekt niet het gevolg zijn van een scherp gehoor, daar de dieren, die waargenomen werden, van 400 tot 1000 meters verwijderd waren, zooals b.v. ploegossen op den Ziirichberg."

Sluiten