Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ning zich zouden bezighouden met het zoeken naar de verklaring van dit merkwaardige verschijnsel. Leeuwen en tijgers bijvoorbeeld zijn toch werkelijk volstrekt geen domme schepsels : hoe kan het nu verklaard worden, dat zij door een zoo eenvoudig middel weerhouden worden, een lekker hapje te halen ? Zelfs bij Brehm, die zoo uitvoerig mogelijk het leven en het karakter der dieren schildert, vindt men nauwelijks een poging, den sleutel te vinden voor dat zeldzame gedrag der dieren.

Voor den mensch is het middel in ieder geval zóó proefhoudend, dat hij er niet dankbaar genoeg voor kan zijn. Wat zouden anders reizigers, die den geheelen dag door hebben geloopen en wie van vermoeidheid de oogen toevallen, moeten beginnen ? Er zou steeds minstens één moeten waken en de overigen hadden volstrekt geen waarborg, dat degeen, die waakte, niet door slaap zou worden overmand. Hoe zou hij echter, zelfs wanneer hij waakte, in de duisternis een aansluipend roofdier opmerken ?

Men zou kunnen meenen — en dit antwoord kan men zelfs dikwijls vinden bij zoo uitnemende dierkundigen als bijvoorbeeld Lenz — dat alle dieren een instinctmatigen angst voor vuur hebben. Doch zóó eenvoudig is werkelijk de zaak niet. Laten wij de anthropomorfe apen buiten beschouwing, die zich volgens de mededeelingen van reizigers warmen aan de vuren van de verlaten legerkampen, dan is het ontwijfelbaar waar, dat tallooze vogels zich den schedel verbrijzelen tegen de ruiten der vuurtorens. Herten en reeën blijven niet zelden bij het gezicht eener vlam als door den bliksem getroffen staan. Wielrijders moeten des nachts dikwijls van hun rijwiel afstappen, omdat hun brandende lantaarn de dieren van het woud aantrekt, zoodat deze hun den weg versperren. Met voorliefde worden echter slangen uit hunne schuilhoeken gelokt, zoodat de reiziger gedwongen is, ze te pakken en in het vuur te werpen.

Wij staan dus tegenover een raadsel, dat niets van zijne won-

Sluiten