Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herten en wilde zwijnen af tot luipaards toe. Daartoe bindt men de dieren een klok om den hals en een doos of mand zoodanig op den rug, dat de opening zijwaarts gericht is. Die holle ruimte dient als bergplaats voor fakkels van was, die daarin branden en hun licht slechts in ééne richting mogen werpen, om den jager, die in het duister gaat, des te zekerder onzichtbaar te doen zijn. Na zonsondergang drijft men den zoo toegerusten buffel langzaam in de bosschen, jaagt door het geluid van de klok het wild op, wekt hunne nieuwsgierigheid op of slaat ze uit het veld door het licht, en kan zoo de meest verschillende dieren onder schot krijgen, maar lokt daarentegen tevens de slangen, die des nachts uit hunne schuilplaats komen, dus juist de meest vergiftige."

Wij zullen later meer in bijzonderheden de eigenaardige, op zichzelf staande plaats bespreken, die de luipaard inneemt. Dat het vuur alleen de nijlpaarden niet afschrikt, blijkt uit de volgende beschrijving van Brehm: „De mensch trachtte op verschillende wijzen zich tegen de schadelijke dieren te beveiligen. Als de oogst rijp was, zag men aan beide oevers vuren branden; deze werden uitsluitend aangestoken als middel om de nijlpaarden te verschrikken, en zij werden gedurende den geheelen nacht zorgvuldig onderhouden. Op sommige plaatsen verwekte men voortdurend een ontzaglijk leven door te trommelen en de reuzen van den stroom aan het schrikken te maken, en desniettegenstaande waren zij niet zelden zóó stoutmoedig, dat zij alleen dan naar de rivier terugkeerden als een flinke troep menschen schreeuwend, trommelend, met brandende fakkels in de handen, op ze losstormde."

De hyaena schuwt het vuur volstrekt niet, maar wordt daardoor juist gelokt. Brehm zegt 3) : „Vreemde verschijnselen, die

1) Deel III blz. 462.

2) Deel III blz. 582.

3) Deel II blz. 4.

Sluiten