Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stacker uitdrukkelijk op den voorgrond stelt, dat hij bij zijne nachtelijke jachttochten op hyaena's zich steeds bediend heeft van draagbare vuren, om de weerzinwekkende schepselen daardoor naar zich toe te lokken.

Zelfs bij de leeuwen schijnt het middel niet steeds, zonder eene enkele uitzondering, te helpen, zooals uit de volgende mededeeling van Brehm blijkt l): „De mensch is dikwijls de eenige, die den leeuw voedsel verschaft, en als deze maar eenmaal de hem ingeboren vrees voor nederzettingen van menschen verloren heeft, en heeft ondervonden hoe gemakkelijk juist hier buit kan worden verworven, dan wordt hij voortdurend vermeteler en driester. Dan vestigt hij zich zoo dicht mogelijk bij het dorp, en gaat van hieruit zoo lang op jacht, als de mensch het hem veroorlooft. Enkele leeuwen worden volgens geloofwaardige mededeelingen zóó vermetel, dat zij zelfs bij dag te voorschijn komen, en dat zij zich, zooals ten minste herhaaldelijk is beweerd, zelfs niet door de legervuren laten terughouden. Doch tegen deze bewering spreekt de vaste overtuiging van alle bewoners van Centraal-Afrika, met wie ik in aanraking ben gekomen, dat het vuur ze wel degelijk tegenhoudt. Zij vergeten, dat het vuur onder alle omstandigheden den leeuw weerhoudt te naderen, en zij kunnen geen enkel voorbeeld mededeelen, dat een leeuw een kamp heeftovervallen, dat door zorgvuldig onderhouden wachtvuren was beveiligd. Van luipaarden verhalen zij het tegendeel." — De zaak wordt nog ingewikkelder, omdat men bij een groot aantal beschrijvingen niet weet, of de dieren bang zijn voor het vuur, of den rook of het gedruisch, of voor de menschenmassa.

Doch desniettegenstaande kan men wel als een vaststaand feit aannemen, dat een groot aantal roofdieren, zooals leeuwen, tijgers, jagoears enz. bang zijn voor vuur, terwijl omgekeerd

1) Deel I, blz. 362.

Sluiten