Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de menschen brengt trouwens de gewoonte hetzelfde resultaat te weeg. Een Kasper Hauser, die altijd in de duisternis had gezeten, kon in de schemering verwonderlijk ver zien. Zoo schijnen vele misdadigers en ook de zigeuners door voortdurende oefening in de duisternis voortreffelijk te zien.

Daar de hyaena's evenals de slangen en het wild uitstekend kunnen speuren, maar zwakke oogen hebben, kan hunne voorliefde voor het vuur voldoende worden verklaard.

Dieren, die bij dag zien, zooals de vogels, zullen uit den aard der zaak van het licht houden op grond van hetgeen op blz. 16 is aangevoerd; men behoeft zich dus niet te verwonderen over het feit, dat zij tegen de ruiten van een vuurtoren aanvliegen.

Reeds op blz. 125 werd er op gewezen, dat de uil, die zoowel over dag als des nachts goed ziet, het licht niet schuwt.

Als bewijs voor de juistheid van het bovenstaande diene tevens het volgende. Hoe meer zich een katachtig roofdier aan het daglicht heeft gewend, des te meer moet het bevreesd zijn voor vuur. Nu lette men op het volgende citaat uit Brehm, dat over den leeuw handelt: „De bewering, dat de leeuw overdag jaagt, komt volkomen overeen met hetgeen ik in Soedan en in Habesch heb ondervonden. Toch vormen dergelijke jachten over dag, steeds uitzonderingen op den regel. Gewoonlijk wacht de leeuw ten minste de schemering af, voordat hij aan de jacht denkt." Volgens het bovenstaande schijnt het niet uitgesloten te zijn, dat leeuwen, die bij uitzondering bij dag op de jacht gaan, ook bij uitzondering het vuur niet ontvluchten.

Doch het meest treffende feit is, dat de luipaard, die het minst bevreesd is voor het vuur, meestal bij dag optreedt. Brehm maakt hiervan als merkwaardige omstandigheid melding, waar hij zegt 1): „Aan onverschrokkenheid, rooflust en bloeddorstigheid paart de luipaard bovendien de grootste brutaliteit.

1) Deel I, blz. 428.

Sluiten