Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en den vijand aan te staren, terug te brengen tot het voortdurende besef, dat zij rondom door de muren van het park zijn ingesloten, en moet deze dus niet beschouwd worden als eene gewoonte uit hun wilden toestand, maar als eene gewoonte ontleend aan den tijd, dat zij in het park verblijf hielden.

Deze opvatting van Beckmann moet daarom onjuist zijn, omdat ook Afrikaansche antilopen, zooals b.v. de gnoe, volkomen op dezelfde wijze handelen, hoewel zij daar toch niet in de vlakten van Zuid-Arika door een muur van een park zijn ingesloten.

Mij komt het voor, dat de reden weder moet gezocht worden in het slechte gezicht dier dieren met scherp reukvermogen.

Immers volkomen op dezelfde wijze gedraagt zich het wrattenzwijn, zooals Menges 1) schrijft, nadat hij eerst zijn slecht gezichtsvermogen heeft op den voorgrond gesteld. Hij zegt namelijk: al wat in het oog valt schijnt zijne nieuwsgierigheid op te wekken, immers het is mij wel voorgekomen, dat een zwijn, nadat het mij reeds had gezien, toch nog voorzichtig naderde, om het merkwaardige voorwerp nader te beschouwen, en dat het eerst door een gedruisch van mijne zijde op de vlucht werd gejaagd."

Moet dus het aanstaren van ongewone voorwerpen door runderen verklaard worden uit de zwakte van hun gezichtsver mogen, dan is het duidelijk, dat het bekende Duitsche spreekwoord, dat iemand staat te kijken als een koe voor een nieuwe deur, öf moet in verband gebracht worden met haar zwak gezicht öf met haren fijnen reuk. Brehm zegt te recht van de runderen : „Onder de zintuigen staat de reuk bovenaan ; het gehoor is eveneens goed, het gezicht is niet bijzonder ontwikkeld."

Ter bevestiging van het slechte gezicht der runderen mogen nog de volgende voorbeelden worden aangehaald :

i) T. a. p. blz. 270.

Sluiten