Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarom loopen alle vluchtende planteneters, die neusdieren 1) zijn, liefst tegen den wind.

Waarom doen zij dat ?

Omdat het van achteren aansluipen van een roofdier nauwelijks mogelijk is; een roofdier, dat zich vóór hen bevindt, moet eerst gespeurd worden.

De weerbare planteneters geven minder om roofdieren en dus ook minder om den wind.

Verder is voor den jager ook de beteekenis van koude en warmte volkomen duidelijk.

Ons, schepselen met goede oogen, is het volmaakt onverschillig, of het warm of koud is, onder beide omstandigheden zien wij even goed. Doch bij de neusdieren is de zaak geheel anders.

De gassen, die de dragers zijn van den reuk, zijn bij hooge temperaturen veel bewegelijker en dus veel beter te herkennen dan bij lage temperaturen. Ieder bewoner eener stad weet, dat een kaaswinkel, die in den winter nauwelijks door den reuk herkend wordt, op warme zomerdagen reeds op een afstand afgrijselijk stinkt.

Het gehuil der vossen bij strenge koude moet dus minder aan de koude zelf worden toegeschreven dan hieraan, dat zij, nu hun neus hen in den steek laat, zich even ongelukkig gevoelen als kinderen in het duister.

Ook de beteekenis van het water is bij beide soorten van dieren zeer verschillend. Het neusdier kan bij eene vervolging gemakkelijk daardoor het spoor verliezen, bij de oogdieren speelt het water hoegenaamd geen rol.

Stof, dat het spoor bedekt, kan natuurlijk eveneens voor roofdieren zeer nadeelig werken; doch in het algemeen vindt het neusdier bij alle stofmassa's, die het spoor donker maken,

1) Ter bekorting zullen wij in het vervolg liever spreken van neusdieren en oogdieren.

Sluiten