Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het grootste verschil blijft echter dit. De oogdieren roepen: Meer licht! de neusdieren roepen: meer goede wind. Vooreen oogdier kan ik mij dus het best verstoppen, als ik mij achter een ondoorzichtig voorwerp, dus een boom, verberg; doch met een neusdier zou mij dat niets helpen, hier kan ik mij alleen beveiligen door eene sterkere uitwaseming. Daarom neemt de jager, als hij zich schuil houdt bij de jacht op wilde zwijnen, dikwijls een paardedeken mede, waarin hij zich wikkelt.

Volkomen juist laat daarom Thompson in zijn voortreffelijk werk: „Bingo en andere dierenverhalen" l) de oude vossenmoeder aan hare kinderen, die immers neusdieren zijn, de volgende lessen geven :

„Slaap nooit als gij moet speuren".

„Uw neus zit vóór uwe oogen, daarom moet gij in de eerste plaats op uw neus vertrouwen".

„Alleen een gek loopt met den wind mede".

„Een stroomende beek heft vele bezwaren op" 2).

„Volg nooit een rechten weg, als gij een kronkelenden weg vindt."

„Als iets u vreemd is, dan is het u ook vijandig".

„Stof en water bederven den fijnen reuk".

„Maak nooit jacht op muizen in een bosch, waar hazen zijn, of op hazen op een erf met kippen".

„Loop niet op het gras."

„Reeds spoedig schemerde er een vermoeden van de beteekenis dezer regelen in de hoofden der jonge vossen. Zoo bijvoorbeeld bij den regel: „Vervolg nooit een dier, dat gij niet kunt ruiken". Dat begrepen zij volkomen, want als zij het dier niet konden ruiken, waaide de wind uit eene zoodanige richting, dat het dier hen moest ruiken".

Verder wijs ik op dit belangrijke punt van verschil, dat de oogen sneller opnemen dan de neus. In zooverre zijn de oog-

1) T. a. p. blz. 173.

2) „Ein laufender Bach heilt manch Ungemach".

Sluiten