Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dagelijks toch kunnen wij waarnemen, dat honden uitwerpselen, urine, voetzweet, mest enz. met bijzondere voorliefde beruiken, terwijl wij ons daarvan met walging afwenden.

Zonder twijfel bestaat er een geheimzinnige samenhang tusschen bepaalde dieren en bepaalde geuren. Het zou werkelijk een dankbare taak zijn, bij alle dieren na te gaan, welke geuren zij aangenaam vinden en welke zij verafschuwen.

In het algemeen zal men echter kunnen aannemen, dat alle neusdieren een afschuw hebben van eiken stank, dien de natuur als wapen heeft geschapen, en van alle kunstmatige sterke geuren. Eene uitzondering maakt echter het beschermde dier zelf. Een stinkdier vindt zijn eigen stank niet onaangenaam.

Hieruit kan men ook verklaren, waarom vos en marter wegvluchten voor het fretje, doch de bunzing den strijd aanvaardt. De beide eersten kunnen den reuk niet verdragen, doch de stank van zijn tammen bloedverwant hindert den bunsing volstrekt niet.

In het algemeen zal men echter steeds kunnen zeggen : Hoe feller het licht is, des te meer heeft het oogdier te lijden. Menschen hebben dus hevig te lijden bij het felle licht in de woestijn of op sneeuwvelden; nog meer echter de hoenders: men denke slechts aan de sneeuwblindheid der patrijzen; neusdieren hebben daarvan veel minder te lijden. Omgekeerd werken de stinkstoffen als wapen in den strijd het meest bij neusdieren, het minst bij vogels.

Daarom moet men een jachthond nooit door een veld met in bloei staande lupienen laten loopen, daar anders zijn reuk daaronder lijdt.

Daarom kan men bloedhonden, die een misdadiger vervolgen, afhouden van de vervolging van het spoor, door zich fijngemalen peper op de voetzolen te wrijven.

Daarom schrikt de koe terug voor den reuk van het bloed van den slachtstal en de hond voor den stok, dien de bedelaar met

Sluiten