Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

studenten niet onopgemerkt gebleven, en één der studenten had dan ook in zijn dictaat naast dien zin de opmerking gemaakt: „als hij goed geluimd is". Zooals dikwijls geschiedt, was dit dictaat in handen gevallen van een student, die het college zelf niet had gevolgd. Het toeval wilde, dat juist dezen op het examen gevraagd werd naar het verdedigingswapen van het stinkdier. Het is zeer goed te begrijpen, dat hij meende, dat de opmerking omtrent de goede luim op den jagcear sloeg, en dat hij dus onder het Homerisch gelach der toehoorders zeide : „Onbevreesd kruist het stinkdier het pad van den jagoear, vertrouwend op de macht zijner stinkklieren vooral als hij goed geluimd is."

Ik wensch hieraan echter het volgende toe te voegen :

Met allen eerbied voor de geleerdheid van den professor twijfel ik aan de juistheid van zijne bewering, en wel op de volgende gronden : Alle dieren hebben hunne sterke, maar ook hunne zwakke zijde, en steeds hebben zij een vijand, voor wien zij het onderspit delven. Het is in hooge mate onwaarschijnlijk, dat het stinkdier eene uitzondering op dien regel zoude maken.

Het is niet te loochenen, dat de stank, dien hij afgeeft, zijn verdedigingswapen is. Roofdieren met goed ontwikkelde reukorganen zullen er zich dus wel steeds voor wachten, hem aan te vallen. Roofvogels daarentegen, die niet kunnen speuren, zooals later uitvoerig zal worden uiteengezet l), zouden onder dit wapen volstrekt niet te lijden hebben. Als dus het stinkdier zich bij dag zou vertoonen, dan zouden arenden en andere groote dagroofvogels hem ongetwijfeld afmaken.

Hoe staat het nu met de katten? Ueze zien namelijk des nachts uitnemend, doch kunnen zóó slecht ruiken, dat b.v. een huiskat een muis, die men tusschen twee borden houdt, door den reuk niet kan waarnemen. Hoe zoude de voorliefde onzer

1) In het begin van Hoofdstuk IV.

Sluiten