Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kat voor den reuk van valeriaan kunnen worden verklaard, als haar reukorgaan niet zoo slecht ontwikkeld was 1

Het beste antwoord verkrijgen wij, als wij de vijanden beschouwen van onze inheemsche dieren, die zich door hun stank verdedigen. In de eerste plaats hebben wij den bunzing, die foetorius putorius, de stinker heet. Brehm beschrijft een gevecht tusschen twee edelmarters en een bunzing, waarbij de bunzing op het oogenblik, dat hij zou worden doodgebeten, zich met goed gevolg van zijn wapen bediende.

Die werking van den stank op de scherp ruikende vijanden, zooals de marters zijn, is gemakkelijk te verklaren, — maar helpt dit middel steeds ? Neen, de wilde kat vreet het stinkdier toch op, zooals Brehm aantoont. Ook de spitsmuis heeft een afschuwelijken reuk, en wordt daarom door de scherp ruikende dieren gespaard. Doch ook hier is het weder de wilde kat, die zich daardoor niet laat weerhouden, haar te verteren. Zoo ook vreten ooievaars, uilen en andere roofvogels spitsmuizen.

Zoo is het dan ook niet te verwonderen, dat volgens Haacke— Kuhnert de poema of Amerikaansche leeuw, de neef van den jagoear, stinkdieren vreet. Over den jagoear zelf laat hij zich niet uit. Daar beide even stomp van reukzin en tevens nachtdieren zijn, zoo is ook tegenover hem het wapen van het stinkdier werkeloos.

Evenzoo is het gesteld met den pekari, een Amerikaansch wild zwijn, waarvan het vleesch ongenietbaar is voor den mensch wegens de stinkende rugklier, als deze niet onmiddellijk na het dooden van het dier verwijderd is. Ook hier bericht Haacke, dat jagoear en poema niettegenstaande den stank veel pekari's dooden.

Had de professor een sterk ruikend roofdier als voorbeeld gekozen, zooals den wolf of den vos, dan zou hij volkomen gelijk gehad hebben. Maar met den jagoear is hij op een ontzaglijk dwaalspoor gekomen. Hier is de onverschrokkenheid

Sluiten