Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volstrekt niet op zijn plaats — en alleen de onverschrokkenheid, die niet berust op gebrekkig ontwikkelde zintuigen, heeft in het citaat van den professor eenigen zin.

Amerika zou toch van stinkdieren moeten wemelen, als er geen dieren waren, die zich dien helschen stank in het geheel niet aantrokken.

Eveneens is het een dwaling, wat de uitnemende waarnemer van dieren l) von Krieger beweert, dat men op den bunzing, door hem terecht ons stinkdier genoemd, alleen daarom met een herdershond jacht kan maken, daar „alleen een herdershond, die aan geen aangename geuren gewend is geraakt, en die vreeselijk boos is gemaakt, het van zich kan verkrijgen, zulk een bunzing aan te grijpen en te worgen".

De eenige verklaring is deze, dat van alle honden hazewindhonden en herdershonden het slechtst speuren, daar zij betere oogen hebben. Daarom heeft de herdershond onder den stank van den bunzing veel minder te lijden dan de scherp ruikende jachthond.

De theorie van jager over den invloed van den reuk

op den trouw der dieren.

De beteekenis der theorie berust op het verschil tusschen oogdieren en neusdieren. Ook zullen wij uitgaan van een practisch voorbeeld, dat de beroemde dierkundige G. Jager verhaalt 2) ;

„In den vorigen herfst was ik gedwongen, eens een vreemden hond, dien van mijn rijtuigverhuurder, op de hoenderjacht mede te nemen. Daar de hond het rijtuig en den koetsier kende, sprong hij gewoon met mij in den wagen, plaatste zich tusschen mijne beenen, doch met een zekere ostentatie wendde hij mij

1) Zoologischer Garten, Deel XVII, blz. IS-

2) Deutsche Jagerzeitung: „Wie macht man einen (remden Ilund zutraulich ?"

Sluiten