Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteld, en evenzoo laat hij zich door verlokkingen ruw be driegen ; op de open vlakte laat hij de slede, die in een kring om hem heen trekt, zóó dicht naderen, dat hij binnen schot komt; voortdurend schuwt hij de lappen en laat zich toch niettegenstaande al het geschreeuw en al het schieten tijdens een drijfjacht in het bosch vlak daarbij omsingelen, in plaats van verstandig weg te vluchten; hij volgt de gewone, zelfs de reeds herhaaldelijk beschoten paadjes, en loopt steeds weder recht op de schutters aan, hoewel hij veel beter de linie der drijvers zou kunnen doorbreken; zijn doodsvijand herkent hij niet aan diens uiterlijk, zoolang deze zich rustig houdt, ja zelfs dikwijls speurt hij hem niet eens, zelfs als hij onder den wind nader sluipend, reeds in het oog loopend nabij is gekomen — kortom, hij die onmeedoogender dan eenige andere bewoner van bosch of vlakte vervolgd wordt, heeft toch nog niet geleerd, de listen en kunstgrepen van den mensch te doorzien en zijne daden daarnaar in te richten. Reintje de Vos uit de overlevering en de vos van woud en vlakte kunnen niet goed beschouwd worden als hetzelfde schepsel; de laatste toch is volstrekt geen wezen, dat zich door bijzondere begaafdheid van andere wezens onderscheidt."

Daar de vossen in tallooze gevallen onder den grond bedolven lijken hebben uitgegraven, zoo is de bewering, dat zij hunne vijanden niet kunnen speuren, ontegenzeglijk onjuist. Overigens wordt de hier verdedigde meening ook door andere jagers gedeeld. Zoo schrijft b. v. Fred Vincent in een praatje over de jacht het volgende over wilde ganzen l):

„Het epitheton ornans „domme gans'", kan, al is het misschien van toepassing op sommige ganzen, zeker niet worden gebruikt ten opzichte van de verschillende soorten van wilde ganzen, die van tijd tot tijd bij ons verschijnen; want ik ken — de groote trap misschien uitgezonderd — geen wilde vogels, die 1) Taglicher Rundschau van 19 Maart 1903, No. 66.

Sluiten