Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een aantal antilopen doc.i echter hetzelfde als de paarden.

Ook de Indische rhinoceros heeft dezelfde gewoonte. HaackeKuhnert deelt mede, dat de Indische rhinoceros zóó lang dezelfde plek gebruikt, om er zijne uitwerpselen neer te leggen, totdat daar een groote hoop is opgestapeld.

De wolf doet zooals de hond ; de haas daarentegen wrijft zijn kin tegen de boomen. Hierover schrijft Thomson bij de beschrijving van een haas, het volgende l):

„De vreemde haas hield stil vóór een der boomen, waartegen een andere haas, die gewoonlijk die plek bezocht, zijn kin placht te wrijven, eenvoudig, omdat hij daar pleizier in had en zonder te weten, dat alle mannelijke hazen hetzelfde doen. Dit geeft aan een dergelijken boom een eigenaardigen reuk van hazen, en vreemde hazen kunnen daaruit onmiddellijk herkennen, dat de omtrek reeds door een hazenfamilie bewoond is en niet openstaat voor eene vermeerdering van bevolking. Ook kan de vreemdeling door zijn reukzin gemakkelijk tot de wetenschap komen, of de laatste bezoeker tot zijne kennissen behoorde, en de hoogte der gewreven plek aan de schors van den boom doet hem de juiste grootte van zijn voorganger kennen."

Dat guanaco's en lama's evenals wilde paarden de vaste gewoonte hebben, hunne uitwerpselen neer te leggen op een bepaalde plaats, is reeds vroeger door mij vermeld.

Een eigenaardige plaats onder de katten neemt de civetkat in, want zij is niet, evenals de gewone katten een oogdier, maar een neusdier. De oorzaak van die uitzondering is zeer eenvoudig — daar het een dier geldt, dat naar zijne levenswijze in het geheel geen kat is, maar behoort tot de scherp ruikende marters, en dus civetmarter moest genoemd worden. De vischotter zou ook veel juister watermarter moeten lieeten.

i) T. a. p. blz. 101.

Sluiten