Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voedsel wilde tot zich nemen. Juist dit had volgens de geschriften aanleiding gegeven, dat men de dieren in de tempels had gehouden, om daardoor den tijd te herkennen, waarop zon en maan in conjunctie stonden."

In ieder geval blijft van dit verhaal zeker dit onaangetast, dat de apen, zooals trouwens door een aantal reizigers wordt bevestigd, het opkomen en ondergaan der zon daardoor begroeten, dat zij uit alle macht schreeuwen.

Zoo is ook voor de dagvogels het zonlicht van de grootste beteekenis. Men kan dat zoo duidelijk zien bij zonsverduisteringen. De kleinere vogels vliegen erg verschrikt naar beneden, terwijl her ten, reeën, hazen volkomen rustig blijven. Men heeft dit verschijnsel hierdoor trachten te verklaren, dat de dieren des wouds zich gemakkelijk aan de duisternis gewennen. Dit is natuurlijk onjuist, want de vogels zijn veel meer in het bosch te vinden dan b.v. de hazen. Omgekeerd maakt de zonsverduistering hoegenaamd geen indruk op honden. De verklaring kan alleen hierin gevonden worden, dat de plotselinge verduistering der zon alleen indruk kan maken op dieren met goede oogen, doch niet op dieren met een goed reukorgaan. Het beste bewijs voor de juistheid der hier verkondigde beschouwingen kan men daarin vinden, dat dieren met een slecht gezichtsvermogen, zooals paarden, zich nooit laten op het dwaalspoor brengen door de fata morgana.

Over het aanblaffen van de maan heeft een zoo groote geest als Darwin de volgende merkwaardige opvatting. Hij zegt: „Het moet een bepaalde reden hebben, dat honden 's nachts, vooral bij maneschijn, op eene eigenaardige en wel melancholieke wijze blaffen. Houzeau is van oordeel, dat hun verbeeldingskracht door de onbepaaldheid der omtrekken van de voorwerpen die hen omringen, in de war wordt gebracht en daardoor fantastische beelden bij hen worden te voorschijn geroepen".

Sluiten