Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Darwin is niet ongeneigd aan de juistheid te gelooven van deze volkomen onjuiste verklaring en voegt daaraan de volgende zinsnede toe : „Indien dit het geval is, dan zou men kunnen zeggen, dat hunne voorstellingen bijna van bijgeloof getuigen".

Daar er een aantal natuurvolken zijn zonder geloof aan God, zoo is die onderstelling in volkomen tegenspraak met het op blz. 10 verkondigde grondbeginsel.

Darwin heeft er geen flauw begrip van, dat er oogdieren en neusdieren zijn; immers anders had hij de beteekenis der kleuren voor de bescherming der dieren niet zoo vreeselijk overschat.

Het ligt immers voor de hand, dat de jongen van den auerhaan, korhaan, patrijs, fazant, snip, kievit enz. die in kleur met den bodem overeenkomen, door oogdieren niet worden gevonden, dat daarentegen alle roofdieren met goede reukorganen — dus de beer, wolf, vos, das, marter, bunzing, groote en kleine wezel, egel enz. — de zich verbergende jongen even gemakkelijk vinden als een goede jachthond.

De ware reden van het aanblaffen der maan zal wel de volgende zijn : Reeds vroeger werd er op gewezen, dat de hond, die oorspronkelijk een roofdier was, alles wat op zijne zintuigen werkt en dat misschien als voedsel kan worden gebruikt, met opmerkzaamheid beschouwt, doch zich juist tegenover de lichtende maan in een eigenaardigen toestand bevindt; immers daar bij hem de neus het voornaamste zintuig is, de oogen daarentegen slechts eene zeer ondergeschikte rol spelen, zoo moet de inwerking van het licht op de oogen, zonder dat hij zelfs het geringste kan speuren, voor hem even onaangenaam zijn als het voor ons is, als wij iemand hooren spreken, zonder hem te kunnen zien.

Dat een hond bang is voor een glas water, verklaar ik op dezelfde wijze. De zoo dikwijls verkondigde meening, dat hij bang

Sluiten