Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het hol heen en weer, vóórdat zij zich gereed maken op voedsel uit te gaan. Dan kan men honderden met elkander zien spelen en hoort men hun geknor, dat op dat van varkens gelijkt, reeds op verbazende afstanden. Als alles volkomen rustig is geworden, trekt het gezelschap uit, om voedsel te zoeken, waarbij alles wat eetbaar is hun welkom is. Gras, wortels en de basten van boomen vormen het hoofdbestanddeel van hun voedsel; zijn er echter akkers in de nabijheid, dan bezoeken de dieren ook deze en richten zij hier aanzienlijke verwoestingen aan. Op hunne strooptochten zijn zij bovendien zeer voorzichtig; nooit komt het zóóver, dat zij hunne veiligheid uit het oog verliezen. Telkens verheft zich één der dieren op de achterpooten en luistert en kijkt met zorg in den nacht uit. Bij het geringste gedruisch slaan zij allen op de vlucht, en rennen zij in vliegende haast onder luid geschreeuw naar de holen terug; hun angst is zóó groot, dat zij zelfs nog schreeuwen en rumoer maken, als zij hunne veilige woning reeds weder hebben bereikt".

Men verplaatse zich dus in den toestand van een scherp ruikend knaagdier, dat daarbij slecht van gezicht is, en dat bijzonder angstig is en plotseling een nieuw voorwerp ziet, dat het niet dadelijk kan herkennen. Hij zal natuurlijk in zijn hol vluchten. Doch honger kwelt zeer, na een uur kijkt het dus nog eens naar het onaangename vreemde ding. Het beweegt zich niet, hoewel het — wij nemen bijvoorbeeld aan, dat wij met een sleutelring te doen hebben — de onaangename uitwaseming heeft van zijn voornaamsten vijand, den mensch. Eindelijk, na een tijd te hebben gewacht, durft het knaagdier hoe langer hoe dichter te naderen, en nadat het van honger bijna flauw gevallen is, overtuigt het zich ten slotte er van, dat het voorwerp absoluut geen gevaar oplevert. Is het nu, beschouwd van het standpunt van het dier, niet reeds zeer verstandig, zulke voorwerpen, die het schrik hebben ingeboezemd,

Sluiten