Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heb ik behalve in Oskar Hom (blz. 114) ook in professor Marshall gevonden, die zich aldus hierover uitspreekt 1): „Het reukorgaan is bij alle vogels slecht ontwikkeld, dikwijls kan men beweren, dat zij met den neus niets kunnen uitrichten. Hiervoor zijn verschillende oorzaken. Een vogel is een dier, dat hoofdzakelijk in de lucht leeft, hij hecht zich niet vast aan den bodem, en als hij zich in de lucht verheft, kan hij een groote uitgestrektheid overzien, waarin wel de lichtstralen, doch niet de riekende fijne deeltjes van een lichaam kunnen opstijgen. Het licht, dat alleen gebonden is aan den ether, verspreidt zich gelijkmatig in alle richtingen, de reuk, berustend op mate* rieele deeltjes en bestaande uit materie, heeft een bepaald gewicht en hecht zich meer aan den grond vast. Doch er komt nog een andere factor bij, die eene grootere ontwikkeling van den reukzin voor de vogels tamelijk waardeloos zou maken. De meeste vogels zijn, als zij uitgaan op het zoeken van voedsel, in snelle beweging : met hun vliegen, dat toch ook verbonden is met het overwinnen van een weerstand, namelijk die der lucht, gaat voortdurend gepaard een meer of minder belangrijke trekking der lucht over hun lichaam van voren naar achteren, die afhangt van de snelheid der beweging; en de riekende stof heeft dus ten gevolge dier snelle beweging en de daaruit voortvloeiende trekking geen tijd op het reukorgaan in te werken. Zoo kon zich bij de vogels de neus niet belangrijk ontwikkelen ; bij de dagvogels is het oog het zintuig, dat hen in de eerste plaats met de buitenwereld in verbinding stelt; het oor komt dan in de tweede plaats."

Hoewel ik, wat het resultaat betreft, volkomen overeenstem met den beroemden dierkundige, kan ik mij toch niet met zijne argumenten vereenigen. Dat een bijzonder ontwikkelde reuk voor de vogels zoo goed als geen waarde zoude hebben, kan

1) SpaziergSnge eines Naturforschers 1888, blz. 128 en tevens „lm Wechsel der Tage", blz. 532.

Sluiten