Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik met den besten wil niet toegeven. Als de raaf een met sneeuw bedekt lijk, dat hij niet kan zien, zou speuren, zou dit inderdaad geen nadeel voor hem zijn. Doch in het volgende worden nog andere bedenkingen te berde gebracht.

Brehm heeft bestreden, dat de raven en gieren een ontwikkeld reukorgaan bezitten, doch hij zegt toch ook het volgende l): „Onder de vogels hebben wij er reeds vele, die voortreffelijke speurneuzen bezitten, al berusten ook de verhalen, volgens welke gieren en raven aas en andere stinkende stoffen op mijlen afstand kunnen waarnemen, op onjuiste en gebrekkige waarnemingen." Te bejammeren is het, dat Brehm die vogels, die volgens hem goede speurneuzen bezitten, niet bij name noemt. Wat het boomkruipertje betreft, waarover hij later spreekt, bevindt hij zich volkomen op een dwaalspoor. Dit is des te meer te verwonderen, daar zijne argumenten, waaruit hij afleidt, dat raven en gieren niet kunnen speuren, zeer verstandig zijn. Van de laatste zegt hij: „In vroegeren tijd nam men aan, dat het de reukzin is, die den gier den weg wijst bij het vinden van het aas: mijne waarnemingen, die ten volle bevestigd worden door de ervaringen van andere onderzoekers, hebben mij van het tegendeel overtuigd. Men achtte zich gerechtigd aan te nemen, dat een gier den reuk van het aas mijlen ver kon waarnemen, en fantaseerde daarop voort op werkelijk onnoozele wijze, zoodat men ten slotte wilde doen gelooven, dat de gier ruiken kon, dat iemand reeds den dood nabij was. Mijne waarnemingen hebben mij geleerd, dat de gieren ook afkomen op aas, dat nog volkomen frisch is en dat volstrekt geen uitwasemingen kan verspreiden, dat zij ook bij sterken luchttrek uit alle richtingen van het kompas komen aanvliegen, zoodra één van hen aas heeft ontdekt, doch dat zij op een niet zichtbaar aas alleen dan komen aanvliegen, als dit door de raven en de aasgieren is gevonden, en zij er op opmerkzaam zijn gemaakt !) Deel I, blz. 17.

Sluiten