Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten slotte nog dit: Bij alle dieren, die zooals honden en dergelijke kunnen speuren, moet men er voor zorgen, dat de lokspijzen vrij gehouden worden van menschelijke uitwasemingen, of moet men die lucht door sterk riekende stoffen, zooals haringpekel en dergelijke, bedekken. Daar bijvoorbeeld de mol zeer slecht ziet en ten gevolge daarvan een bijzonder ontwikkeld reukorgaan bezit, wrijft men den molleval zeer practisch in met een dooden mol. Als de vogels goed konden ruiken, dan zou men dezelfde voorzorgsmaatregelen moeten nemen, en dus de netten niet dan met handschoenen moeten aanvatten of aan het lokaas een anderen reuk moeten mededeelen. Is dit noodig ? Het antwoord is : volstrekt niet. Terecht zegt Riesenthal: „Men behoeft de strikken geen anderen reuk mede te deelen". Hieruit kan met volkomen recht de gevolgtrekking gemaakt worden, dat vogels wel voortreffelijk kunnen zien, maar niet bijzonder goed kunnen ruiken. Het is dus niet te verwonderen, dat een tamme boomvalk, die in het bezit was van den dierkundige Liebe, lak voor vleesch hield. Dat zou een hond nooit overkomen.

Hoewel men het in Brehm moet prijzen, dat hij eindelijk een einde heeft gemaakt aan de legende omtrent het speuren van gieren en raven, toch wordt door hem nog merkwaardigerwijze de meening verkondigd — en anderen, zooals de gebroeders Müller, zeggen hem dit na — dat het boomkruipertje uitnemend kan ruiken. De vader van Brehm schildert het gedrag van die aardige vogels aldus l) :

. . . „Zij laten nu den dop vallen en halen een andere noot, die op dezelfde wijze wordt bewerkt. Dit gaat zoo dikwijls uren, ja zelfs dagen lang door, en levert, door de voortdurende afwisseling, die het gevolg is van het heen en weer vliegen, het afbreken en open maken der noten, een alleraardigst schouwspel op. De hazel-, linden en ahornnoten behandelt het 1) Deel V, blz. 558.

Sluiten